Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een persoon onderwerpen aan net oordeel der Kera (nameirjK als een genootschap zich volgens Art. 29 onzer belijdenis als kerk kenmerkt) "Wij zeiden dat het van velen duidelijk was dat zij door Chistus niet gegeven waren, en wel uit het gemis van geestelijke gaven tot het werk der bediening. Dus geliefden, hard uit te schreeuwen voor de menschen dat men geroepen is, of zich in het gebed als een dienstknecht van Christus op te dragen, dat bewijst niets; het missen van geestelijke gaven logenstraft al dat geschreeuw. Dat nu velen die geestelijke gaven missen, zal ons in het toepasselijk gedeelte bij de stukken duidelijk en klaar worden. Voor wij evenwel naar de leidraad onzer verhandeling, ter toepassing overgaan, merken wij vooraf nog met een. woord in het gemeen aan, dat het eeuwig blijvend woord Gods de leer der Gereformeerde Kerk daarop gegrond in onze formulieren van eenigheid geleerd en door onze Godzalige Vaderen (1) zoo heerlijk beleden, dewelke daarvan nog getuigenis geven nadat ze gestorven zijn, en in welker schriften duidelijk blijkt dat zij door genade aan het einde van hunne roeping hebben zoeken te beantwoorden. Dat die waarheid, zeggen wij, niet veel vrienden maar veel vijanden en tegenstanders heeft, niét alleen onder de zoogenaamde belijdende gemeenten maar bijzonder onder diegene die den naam van Herders of Leeraars dragen, wordt uit derzelver schriften in deze afvallige dagen meermalen openbaar, zooals wij reeds van Littooij met deszelfs aanhangers mochten aantoonen. Zoo las ik ook geruimen tijd geleden een blaadje van Ds. Dosker, De Huisvriend genaamd, van den 11 den Juli, 1879, waarin ZEw. een kort verslag geeft aangaande de handelingen van de Godvruchtige Koning Hiskia met de koperen slang, volgens 2de Kon. 18 : 4. ZEw. schrijft: te vertrouwen

(1) Als wij hier spreken van onze Godzalige Vaderen, dan bedoelen wij geen anderen dan die aan Godseeuwigbüjvend en onveranderlijk woord en onze daaropgegronde formulieren van Eenigheid vastgehouden hebben, in welker schriften duidelijk doorstraalt, dat het bedoelen van de Eere Gods en het heil van onsterfelijke zielen hun hoofddoel was. Dewelke aan het einde van hunne roeping, volgens Eph. 4, naar de mate van genade hun geschonken, beantwoord hebben. Welk een en ander in een menigte van die Godzalige schrijvers kennelijk zijnde, zich bij het onderzoek aan de consciëntie van iemand, die praktikaal de waarheid kent, openbaart. Van daar dat de ware Godzaligen er zoo* veel mede op hebben.

Sluiten