Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbeurden zegen moge wegdragen dan is het bij het onderzoek van Gods Woord (welk Woord dat volk zoo dierbaar is) of bij het onderzoek van een oude Godzalige schrijver, maar niet onder een gehoor, daar men, ofschoon er maar een spreker of lezer staat, dan Arminius eens hoort, dan Pelagius, dan Socinius, op een bedekte wijze. Daar woont de Heere niet. Nu zoude het toch een vreeselijke zaak zijn om die oude Godzalige schrijvers te verbrijzelen; het koorn dat de Heere gegeven heeft weg te nemen; en wat kaf en draf over te laten. En Ds. Dosker zegt, des noods moet het toch gebeuren, maar

Dat onze Godzalige Vaderen van vroeger en later dagen uit wezenlijke belangstel ling en het heil dei kerk tot wering van valsche leringen de boek-censuur bepaald hebben, blijkt ons uit de Synodale bepalingen van de navolgende Synoden:

Emblen, 1571.

Dordrecht, 1874 en 1618 -19.

Middelburg, 1581.

Den Haag, 1586.

Het is opmerkelijk en gewigtvol dat op de Synode, gehouden te Dordrecht 1674, besloten wierd dat de boekverkoopers, die de reine leer waren toegedaan, vermaand zouden worden geen ongezonde of kettersche boeken te drukken of te verkoopen. Mogt en gereformeerde boekverkoopers dit ter harte nemen. De eere Gods en de belangstelling in het heil van onsterfelijke zielen vordert dat.

Dan dat niettegenstaande al deze Synodale bepalingen Ds. Dosker daar smadelijk van spreekt is geen wonder, uithoofde de Synode der Afgescheidenen, gehouden te Groningen 1872, In hunne Synodale bepalingen aangaande deze zaak zegt, pag. 21: ofschoon het tot handhaving van de zuiverheid der leer wenschelijk wordt geoordeeld dat door de kerkbesturen zooveel mogelijk art. 56 der Dordsche Kerkorde 1618 en 19 worde onderhouden, werd echter ook het bezwaarlijke erkend om in de tegenwoordige omstandigheden dat artikel in elk opzigt na te leven. Niemand is daarom verbonden om, wanneer hij iets wil laten drukken, zijn werk aan de kerkelijke approbatie te onderwerpen, daar het toch de kerkbesturen is en blijft opgedragen om voor de zuiverheid der leer te waken. Dus, waarde lezers, niettegenstaande de Synode het wenschelijk acht, acht zij het evenwel onnoodig. Geen wonder, het is een bedorven hulshouding. Daar komt ons noch in de gedachten wat wij eens lazen in de Synodale handelingen van 's Hertogenbosch 1876, art. 79 (over het verplaatsen der school van Kampen naar Leiden) in dat artikel luidt het: Bezwaren uit het oogpunt der zedelijkheid bestaan er hunnes inziens evenmin. Verzoeking is er overal. En uit een zedelijk oogpunt zou Leiden zelfs aanbeveling verdienen. Onze Studenten moeten jongelingen zijn die de verzoeking kunnen weerstaan. Dat is kras, waarde lezers, boven Bijbel en openbaring, het blijkt uit zulke taal duidelijk, dat er geen arme menschen waren op die Synode of zij hebben onder de behandeling van dat punt geslapen. De Heere Jezus leerde Zijn volk bidden, Matt. 6: 3, leidt ons niet in verzoeking maar verlost ons van den boozen. De grootste bijbelbeiligen hebben de verzoeking niet kunnen weerstaan. Ziet een David, een Hiskia, enz. Dan spreken zij nog, Art. 93, om omtezien naar de beste middelen om tot het doel te komen; Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias. Mogt de Heere nog eens nederzien uit den hemel en zijn goeden Geest eens uitstorten, opdat die sterke armen en beenen eens gebroken mogten worden, dan zou de zaak te regt kunnen komen. Christus kerk is doodarm in haar zelf, maar rijk in Christus, dat Is de zaak.

Sluiten