Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om te profeteren. En 1 Petri4 : 10: Een iegelijk gelijk hij gave ontvangen heeft alzoo bediene hij dezelve aan den anderen als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods. Zooals op grond daarvan onze Catechismus zegt, Zondag 21, dat een iegelijk hem moet schuldig weten zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere ledematen gewillig en met vreugde aanteleggen. Dat zeggen wij die vermaningen niet te vergeefsch gedaan worden. En die geestelijke gaven door deze of die van den Heere ontfangen niet onder een koornmate maar op den kandelaar gezet moeten worden; dat eene talent mag niet in de aarde begraven worden volgens Matt. 25. En dan vind ik ook daaromtrent geene bepalingen in Gods Woord dat de zoodanigen wel voor deze en die in het partikulier maar niet voor eene vergadering mogen spreken. Zooals Vader Brakel dat wil en zegt, pag. 645, dat is al te naauw, laat ieder hier onpartijdig oordeelen. Hetgeen men verpligt is te doen mag men dat wel doen voor enkelen maar niet voor velen, dat is ongerijmd. Mag de Geest des Heeren, die dezulken die gaven schenkt en aanvuurt, aan banden gelegd worden. Mozes, toen de tegenstanders van Eldad en Medad wegens hun profeteren hen bij hem aanklaagden, zeide volgens Num.11: Och of al het volk des Heeren profeten waren, dat de Heere Zijn Geest over hen gave. Paulus die is ook niet tegen Epaphras, die in de gemeente van Kollossen werkzaam was, zoo het schijnt maar een particulier persoon zijnde; immers met volkomen zekerheid kan van Epaphras, ten aanzien van zijn persoon als van zijne aanstelling tot de bediening niets gezegd worden; dan, niettegenstaande dat zeggen wij, is Paulus niet in oppositie gekomen tegen hem, integendeel, Paulus erkent en verklaart hem, Col. 1 : 7, als een geliefde mede dienstknecht en een getrouw dienaar Christi.

Dat is klaar, als de eere Gods en het heil van onsterfelijke zielen weegt, dan verblijdt men zich. Als men hoort dat de gekruiste Christus als een baniere onder een volk waar het wezen mag, wordt opgestoken, dan wordt niet gevraagd: is die persoon wel van onze orde, of heeft die wel aan de Kamperschool geleerd; o neen, die dwaasheid komt dan niet in aan-

Sluiten