is toegevoegd aan je favorieten.

O land, land, land, hoort des Heeren Woord!

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij nedergestooten worden." (Jes. XTV : 14, 15.) Gij jubelt en juicht in uwe dwaasheid en blindheid over uwe grootsche plannen en ondernemingen, over de vrijmaking der slaven, de nieuwe spoor- en waterwegen, de doorgraving van Holland op zijn smalst, uwe duinen, de bolwerken, door God tot uwe beveiliging daargesteld, gaat gij doorgraven, de HEERE HEERE zal alle uwe torens van Babel ter nederwerpen, in alle uwe fraaije reusachtige plannen en ondernemingen blazen. Waarom? Omdat zij allen zonder Hem zijn aangevangen, omdat Hij er niet begin, midden en einde in is, en nu is er geen zegen, maar vloek op. Gods oordeel ligt er op! Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen. (Ezech. XXI : 27.) En gij, Godtergende, Godlasterendej weelderige en jubelende Hoofdsteden, die door uwe oneerlijke koopmanschappen, woekerhandel, openlijke en verborgene ongeregtigheden de schuld over Nederland grootelijks verzwaard hebt, die door uwe prachtige paleizen en grootsche gebouwen, JEHOVAH tart en naar de kroon steekt, laten uwe lofliederen in gekerm- en geween, uwe schitterende vlaggen en veelkleurige wimpels in rouwvlaggen, uw vreugdemuziek in treurmuziek veranderd worden, want de HEERE zal uwe vuurwerken en illuminatiën door akelige, stikdonkere duisternis uwe wellustige en geldverkwistende danspartijen, •ijdole schouwtooneelen, concerten, brooddronkene en dartele maaltijden door veelsoortige bezoekingen, ziekten, sterften, begrafenissen en kerkhoven doen vervangen (Amos V : 16, 17, 23; VI, VHI: 8—10), dit zal uw lot zijn. „Ende sij sullen een klaaglied over u aanheffen: Hoe zijt gij uit de zeen vergaan, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, sij en hare inwoners, die haer lieder schrik gaven aen alle die in haer woonden. Want alsoo segt de HEERE, als Ik u zal stellen tot een verwoeste stad, gelijk de steden die niet bewoond worden, als Ik eenen afgrond over u zal doen komen ende de groote wateren u zullen overdekken." (Ezech. XXVI: 13—21, Zef. II: 15.)

Nederland, wat juicht gij toch over de vrijmaking der slaven? Is het tijd, om zoo te juichen en te jubelen, , daar de toestand uwer koloniën er zoo droevig uitziet,