is toegevoegd aan je favorieten.

O land, land, land, hoort des Heeren Woord!

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ps. CILT : 15, 16.) Siet, gij hebt mijne dagen eene handbreedte gesteld, ende mijn leeftijd is als niets voor u; immers is een ieder mensch, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Immers wandelt de mensch als in een beeld, immers woelen ze ijdelijk; men brengt bij een, ende men weet niet, wie 't na zich nemen zal. (Ps. XXXTY: 5—7.) De wormen zullen in het graf al dat edele en heerlijke, magtige, sterke, schoone en bevallige verslinden. (Pred. I; 2.)

Verstand, vernuft, een fijn oordeel, vele begaafdheden, sierlijke gaven, welsprekendheid worden uitmuntend en heerlijk genaamd, maar door onzen val is ons verstand verduisterd, ons vernuft arglistig en duivelsch, ons oordeel omgekeerd geworden, want wij oordeelen goed, wat de HEERE afkeurt, en wat Hij goedkeurt, dat verwerpen wij. Waartoe gebruikt de mensch zijne talenten, begaafdheden, sierlijke gaven? Voor den duivel, in de dienst der zonde en der wereld, voor het zinnelijk genot, om zijnen hoogmoed en eerzucht te prikkelen en te streelen, om als een God, gelijk Herodes) Hand. XH: 21—23), bewierookt, gehuldigd en aangebeden te worden! In onzen diep afgevallenen toestand, gebruiken wij onze zintuigen en vermogens niet, waartoe zij ons oorspronkelijk geschonken waren, om naar boven tot God onzen Formeerder op te zien, maar om in het lage stof te wroeten en te staren, en het schepsel te eeren en te dienen boven den Schepper, die te prijzen is in eeuwigheid, amen. En in onze dwaasheid en blindheid noemen wij het heerlijk, menschengunst, roem en lof na te jagen en in te oogsten.

Hoezeer zijn wij gesteld op een goedkeurenden blik van het schepsel, bovenal van een koning of magtigen der aarde. Neen, het schepsel, hoe schoon en bevallig het schijnt, is niet meer het heerlijke wezen, zoo als het weleer uit de Hand van zijnen Schepper voortkwam; de mensch heeft het Godsbeeld verloren, en al zijne uitmuntendheid, heerlijkheid en begaafdheid, gingen in het paradijs in den dood, toen satan zijn beeld in hem oprigtte; alle zijne werken, deugden, pligten en goede voornemens, waar hij veel ophef van maakt, zijn gelijk aan waterbellen en morgenwolken.

Het heerlijke is dus niet gelegen in geld en goed,