is toegevoegd aan je favorieten.

Het reformatorisch beginsel, of De Afscheiding, beoordeeld naar het gereformeerd kerkrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebonden aan voorwaarden, die de Grondwet niet noemde. De eisch der regeering was tiranniek en willekeurig. De macht zegevierde over het recht. De vrijheid van geweten werd aan banden gelegd. De Koning werd een vervolger van wie tot de leer, den dienst en de tucht der vaderen wenschten weder te keeren. Geen wonder dat de Afgescheidenen den eisch der regeering niet durfden opvolgen. Liever in gehoorzaamheid aan en in afhankelijkheid van God de vervolging trotseeren, dan iets tegen Zijnen wil doen en hun geweten bezwaren.

Maar deze weigering, om aan de dwangmaatregelen der regeering te voldoen, prikkelde de vervolgers des te meer. Het volk, hiertoe aangezet door de deftige liberalen, verstoorde de vergaderingen, deed de geloovigen allerlei overlast. Er kwamen gevallen voor dat neringdoenden hun bedrijf zagen verloopen, dat knechts en arbeiders de dienst werd opgezegd, rechtstreeks omdat zij Afgescheidenen waren, of meer zijdelings, omdat zij bezwaar hadden om op Zondag te werken. Zelfs de kinderen werden gescholden als „nieuwlichterrs", „Cocksianen," „blauwkousen", „fijnen" en „dompers". Brummelkamp kreeg eens op een vraag van een zijner jeugdige kennissen, waarom hij zich niet bij de gemeente aansloot, ten antwoord: „Wel, als je je afscheidt, dan haten ze je als de pest." Er behoorde waarlijk moed toe zich aan te sluiten bij de gemeente der Scheiding. Zoodra zij voor het verachte volk partij kozen, telden zij niet meer mee, en werden zij gerekend „als uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel".

Zwaar drukte de last der vervolging. Vrijheid, den Israëliet toegekend, was den Gereformeerde ontzegd. Die zijn huis leende voor een vergadering, die een gebed deed of een hoofdstuk uit Gods Woord voorlas, werden evenals een prediker gestraft met een boete van 20, 50 of 100 en meer gulden, bij wanbetaling door gevangenisstraf te vervangen. Alleen in Friesland beliepen die boeten tot 1837 de som van 6625 gulden (Prov. Verslag van 1836). Was het wonder dat de verdrukten de Hervormde Kerk