Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al valt nu het historisch menschenleven buiten de openbaring, dat wil toch niet zeggen, dat het geen invloed van haar zou ondergaan. De persoon bepaalt (mede althans) de historische verschijning van het leven en het voor de geschiedwetenschap kenbare karakterbeeld. Zoo wordt de persoon in dit leven wel niet zichtbaar, maar toch aangeduid. Doch dit zichtbaar historische is van zulk een aard, dat het den Goddelijken persoon evenzeer verbergt als openbaart. De categorie van het leven van Christus is het incognito. Voor den geloovige echter is elk woord, elke daad van Jezus, elke bizonderheid van Zijn karakter, teeken van het geheimenis van Zijn persoon. De geloovige weet: deze is de Christus. Niet omdat Hij het zelf zegt, want wat Hij zelf zegt is geschiedenis, behoort tot de sfeer van de relativiteit. Maar dat Jezus zooiets gezegd heeft (hoogstwaarschijnlijk tenminste) is voor dengene, die reeds weet, dat Hij de Christus is, „Hinweis" en in zoover bevestiging, dat Hij het werkelijk is.

Hieruit blijkt reeds, dat ook de 1 e e r van Jezus door Brunner niet tot de openbaring gerekend wordt. Wat Jezus gesproken heeft is op zichzelf evenmin openbaring als Zijn historische persoonlijkheid. Zijn eigenlijk zeggen valt samen met Zijn persoon. Zijn redenen zijn, evenals die der profeten, slechts „HinWeis" naar dit geheimenis. Zijn historisch zelf getuigenis is de profetische, indirecte heenwijzing naar Zijn eigenlijk woord, dat Hij niet spreekt, maar is.

Wordt de openbaring alzoo beperkt tot den Goddelijken persoon in Christus, dan is deze openbaring tegelijk verberging. De vorm der openbaring is het geheimenis en ze draagt het karakter van indirecte mededeeling. De profetische openbaring is nog niet geheel indirect en daarom nog niet volkomen. Ze is Gods woord en dus indirecte mededeeling. Een woord, een uitdrukking van een idee, is altoos reeds indirecte mededeeling, want zal ik die idee mij toeeigenen, dan is er eigen activiteit, eigen doen, zelfwerkzaam-

Sluiten