Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de dure prijs vormen, waarvoor de onwankelbare trouw aan onzen hemelschen Vader gekocht werd — Israël moet, naar het voorbeeld zijner groote voorvaderen gereed staan, ook zijn leven voor Hem te offeren (Berachoth t. a. p.). — En zoo worden ook alle krachten en vermogens, bezit en ontbering, lief en leed, met kinderlijke liefde uit de hand des Algoeden aanvaard, en dus alles wat wij zijn, in onze vermogens en invloed, in ons zeiven, in ons huis, in onze omgeving, in dienst gesteld van de huldiging des Allerhoogsten. (Aldaar).

Zoo zetelt de kern van de levensmoraal des Jodendoms daarin, dat de mensch, dife aan het slot van Gods scheppingsarbeid naar het evenbeeld Gods, — dit beteekent: met rede en verstand begaafd

— geschapen werd, den heerlijken aanleg, om de Godheid in hare verheven eigenschappen te evenaren, tot ontwikkeling brenge, Haar ter huldiging, hem en zijnen medeschepselen ten heil, en dus „heilig zij" in geheel zijn leven, „omdat de Eeuwige heilig is" (Leviticus 19, 2). Van die moraal, die — zooals wij reeds zagen

— voor alle menschheid bestemd is, vormt Israël de drager, de prediker, en is dus in zijn wezen en bestemming de heraut van het Godsrijk op aarde.

Het heeft zeker iets zeer treffends, ja voor menigeen iets onnatuurlijks, dat de plicht van „heilig te zijn" met klem en nadruk aan eene geheele menschelijke gemeenschap onvoorwaardelijk gesteld wordt. Het woord „heilig" immers wordt in het algemeen vrijwel vereenzelvigd met de gedachte van een afgetrokken, rein geestelijk, boven alle wereldsche indrukken en aandoeningen verheven bestaan, zooals wij ons dat bij de hemellingen voorstellen. Een zoodanig bestaan aan eiken gewonen mensch te willen voorschrijven, ziedaar een denkbeeld, dat door zijne besliste onuitvoerbaarheid onmiddellijk zich zelf zoude veroordeelen. Wie echter

Sluiten