Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de verheffende en de veredelende gedachte, dat alle bezit eene gave des Heeren is, berust ook de instelling, dat de eerstelingen van alle vermogen Hem gewijd zijn. Ook na de verwoesting des tempels is van deze instelling eene belangrijke rest gebleven in de heiliging der eerstgeborenen van mensch en vee. Zoo o. a. wordt nog heden elk mannelijk eerstgeboren kind eener moeder — indien niet uit eene priester- of Levietenfamilie geboren, — omdat het eigenlijk den Heer gewijd is, op den 31 en dag van de geboorte door den vader voor eene bepaalde geldsom van den priester gelost, of m. a. w. teruggekocht.

Genot. — Reeds zagen wij hierboven (blz. 16), dat de Joodsche moraal wel verre van levenslust en levensvreugde te onderdrukken, deze juist wil bevorderen en ons leeren „den Heer in vreugde te dienen" (P s. 100,2; vgl. Pred. II, 9). Uit alle hierop betrekking hebbende Bijbelverzen blijkt echter onmiddellijk, dat het Jodendom aan de gedachte van vreugde nooit verbindt die van ijdel zingenot, maar daarbij steeds denkt aan de heerlijke zelfvoldoening, die plichtsbetrachting en goede werken ons schenken. En wanneer het deze veredelde levensvreugde uit den aard der zaak ook bij voorkeur zoekt op de godgewijde dagen van rust of feestverblijding; zoo wenscht het toch in het algemeen ook geheel het leven daarvan vervuld te zien. Zelfs den biddende bevelen zijne geschriften aan, zich niet in het gebed te plaatsen in eene stemming van droefenis, zorgeloosheid of loszinnigheid, maar in de religieuze verblijding, die het vrome vertrouwen en de kinderlijke berusting ons in het hart planten (Berachoth 31a). Bij te dragen tot deze gewijde vreugde bij anderen, zooals bij bruid en bruidegom op hunnen huwelijksdag, wordt als een hooge godsdienstige plicht beschouwd (ibid. 6a).

De historische ondervinding leert het reeds sedert eeuwen,- hoezeer zich naar dit ethische levensbeginsel

Sluiten