Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer is dan de mensch. Zijn „macht" is in wezen geen andere dan die van den mensch. Vertrouwt de mensch op zichzelf, dan vertrouwt hij immers ook op een „macht"; hij is niet een soort vroege atheist, hij doet slechts een beroep van de eene macht op de andere, al naar behoefte1). De goddelijke vriend wordt dan ook opgegeven, wanneer hij de trouw heeft gebroken. Aan den eisch van gelijkheid, die Aristoteles belette van vriendschap met God te spreken, is hier voldaan, waar goden menschen en menschen goden kunnen zijn.

Weer geheel anders in de israelietische religie, vooral in het Judaisme. De typische vriend van God is hier Adam, die in Jesaja 41 : 8 door God „vriend" wordt genoemd (DITnN ,3nK). Weliswaar kan het werkwoord 2HK niet liefhebben in het algemeen worden vertaald, gelijk wij zagen. Anders is het met den anderen beroemden godsvriend, Mozes, van wien Ex. 33 : 11 wordt gezegd, dat Jahve met hem sprak van aangezicht tot aangezicht, zooals een man spreekt met zijn vriend. Hier wordt het woord njH gebruikt, dat vriend in den zin van èxalQoq beteekent. In beide gevallen echter is een bizonder vertrouwelijk verkeer bedoeld. Het Judaisme nu stelt deze in het Oude Testament slechts een enkele maal voorkomende verhouding tegenover de gewone relatie tusschen God en mensch, die van heer en knecht. Strack en Billerbeck geven, in hun commentaar op Joh. 15 : 14 — den text, die voor de christelijke vriendschap met God centraal werd — twee merkwaardige uitspraken. In de eene noemt God zijn broeders en vrienden hen, die zijn geboden vervullen; in de andere wordt de studie der Tora om haarszelfswille als voorwaarde gesteld voor het verkrijgen van de titels vriend (n]H) en geliefde (Dintf) Gods*).

x) Verg. over het religieuze begrip „macht" mijn Phanomenologie, passim.

2) Seder Elij, R 18 (109) en Aboth 6 : 1, bij H. L. Strack en P. Billerbeck, Kommentar zutn N.T. aus Talmud und Midrasch, II,

I924» 564 v.

Sluiten