Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

totus unitus et absorptus meique totaliter oblitus? Tu in me, et ego in te; et sic nos pariter in unum manere concede"1).

Maar is dan de gelijkheid, die wij allen, met Aristoteles, in de vriendschap verlangen, niet een onoverkomelijk bezwaar? Er kan toch nimmer sprake zijn van gelijkheid tusschen God en mensch, althans niet in het christendom. Thomas noemt dit bezwaar dan ook nadrukkelijk. Maar de vriendschap als liefde, d.i. als transformatie, d.i. als omzetting van het wezen van den mensch, zoodat God en mensch „sicut unum in forma" zijn, als het ware één van wezen, heft de ongelijkheid op2). Zij wordt dus niet door den mensch in vermetelen overmoed teniet gedaan, zij wordt door God zelf in oneindige barmhartigheid opgeheven. En de schijnbare onmogelijkheid wordt aldus de krachtigste openbaring van Gods liefde. In zijn liefde daalt God tot ons niveau neer, heft ons tot zich omhoog. Zoo worden martelaren, heiligen, maagden, apostelen, ten slotte geloovigen van welken aard ook, tot de vrienden Gods gerekend door de dignatio, de nederbuigende goedheid Gods3). De gelijkheid wordt echter nimmer volkomen, er blijft een sicut.

"Over deze grens heen beweegt zich de Mystiek van de 14de eeuw, die weliswaar niet iets geheel anders is dan de Scholastiek, zooals men vroeger wel dacht, maar niettemin in dezen een eigen weg gaat. Hier is de bloeiperiode van de vriendschap met God; alle nadruk ligt op de gemeenzaamheid; het neoplatonisme heeft zoozeer doorgewerkt, dat het voorzichtige sicut van Thomas wordt vergeten. De volkomen vereeniging, met opgeving

r) IV, 13, 1. De „vrijmoedigheid" van spreken van den mensch tot God is in de christenheid zeer oud en speelt ook in de liturgie een rol van beteekenis, verg. E. Peterson, in: R. Seeberg-Festschrift, G. van der Leeuw, Phanomenologie, 217, 404.

2) Egenter, Gottesfreundschaft, 40 vv. In de grieksche kerk had Johannes Qimacus verdedigd, dat slechts de engelen q>iiioi »to6 zijn, de monniken alleen indirect, Peterson, Gottesfreund, 196; — verg. ook Nygren, Eros und Agape, I, 74.

8) Albertus Magnus, bij Egenter, Gottesfreundschaft^ 96 v.

Sluiten