Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der eigen identiteit is het doel van de vriendschap der duitsche mystici, die zich friunt Gottes noemen1). Dezen leven verborgen en stil in den lande, zalig in het bezit van hun heimelijken vriend. De sereniteit en soberheid, die wij in de vriendschap vonden, temperen hier den hartstocht der minne, tenminste tot op zekere hoogte. Want men kan niet zeggen, dat het classieke tijdperk van de vriendschap met God nu juist het meest doet zien van hetgeen wij als het karakter van vriendschap hebben gevonden. Daartoe zijn Eckhard en Tauler, Suso en de „groote Godsvriend uit het Oberland", Rulman Merswin, te zeer mystici a). Weliswaar is er in de mystiek de zaligheid der gemeenzaamheid 3), maar niet altijd de terughouding der vriendschap. Zoo dacht ook Angelus Silesius er over, toen hij vanuit de beleving der extreme mystiek schreef:

Wer ihn umhalsen will, muss ihm nicht nur allein Befreundet, sondern gar seirf Kind und Mutter sein 4).

Onder de mystici bleef de titel .„vriend van God" natuurlijk een onderscheiding voor de weinigen: vriendschap noch mystiek zijn ooit voor de velen. Slechts in één christelijke gemeenschap werd de naam „vrienden" de naam bij uitnemendheid: die der Quakers, oorspronkelijk Children of the Light, even later Friends in the Truth, dan eenvoudig Friends geheeten.

Wij hebben gezien hoe de vriendschap in de religie verschijnt als wijze van verhouding tot God. Laat ons, ten slotte, nog zien hoe de religie zich manifesteert in het vriendschapsverschijnsel. Wij zullen ons daartoe in hoofdzaak moeten be-

*) Grete Lüers, Die Sprache der deutschen Mystik des Mittelalters int Werke der Mechthild von Magdcburg, 1926, 182.

2) Ph. Strauch, in RE,3 s.v. Rulman Merswin.

8) Een parallel bij Al Ghazali: A. J. Wensinck, Semitische Mystiek (De Gids, 83, 1919, 289 v.).

4) Der Cherubinische W ander smann, III, 17.

Sluiten