Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook bij den zegen van den mensen eveneens van een onderwerpen van de aarde en van een heerschappij hebben over hare schepselen spreekt (vs. 28). Doch ook van den eigendom zelf wordt het wezen in het oefenen van heerschappij aangewezen. De woorden, die in de eerste vijf boeken der Schrift voor eigenaar worden gebruikt, drukken in het oorspronkelijke alle de idee van „sterk zijn", „macht hebben", „heerschen" uit. Zoo het woord ba'al (heer), dat in het bijzonder wordt gebruikt voor den eigenaar van vee, land, huizen en putten, dus van het materiëele goed.1) Zoo ook de woorden jkdoon (heer) en gebierah (vrouw), welke de speciale namen voor den eigenaar en de eigenares van slaven en sla- y vinnen zijn.2) Wordt de verhouding van den eigenaar tot zijn goed geteekend, dan wordt daarbij eveneens van een recht tot „heerschappij" gesproken. Zoo in Lev. 25:43, 46 en 53, waar 3ïï recht van den heer wel ten aanzien van den Israëlietischen slaaf wordt beperkt, doch daarbij voor dit recht hetzelfde woord (heerschappij) wordt gebruikt, dat ook in Gen. 1 : 26 èn 28 voorkomt. Doch vooral hebben we hierbij op Ex. 21 : 8 te letten. Hier bepaalt de wet, dat iemand in Israël een meisje, dat hij tot „dienstmaagd," d.w.z. gelijk het verband aanwijst, tot concubine had gekocht en daarna niet meer als zoodanig begeerde, niet aan een vreemd volk d.w.z. buiten Israël zou vermogen te verkoopen. Het komt voor ons doel ' hier vooral op dit woord „vermogen" aan. Dit is hier dus de eigenaardige uitdrukking voor de „bevoegdheid," welke de eigendom geeft. Het Hebreeuwsch gebruikt hier hetzelfde woord,*) dat op andere plaatsen (Gen. 1:16; 3:16; 4:7; 37: 8 e. a. pil.) door „heerschappij hebben", „heerschen" enz. is overgezet.

l) In Ex. 21:28, 29, 34; 22:11, 12, 14, 15. Num. 21:28; 22:7; 21:34. s) In Gen. 24; Ex. 21:1—11, 32; Deut. 23:1, 5; Gen. 16:4, 8, 9. 3) Maschal.

Sluiten