is toegevoegd aan je favorieten.

De grondslagen van den eigendom bij het licht van de eerste vijf boeken der Heilige Schrift

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezitting van den stam van Levi, en in Deut. 18:1 de „erfenis" des Heeren de heffingen zelf, welke den Heere als den Eigenaar van volk en land toekwamen van de inkomsten des lands.

Bezien we voorts de afzonderlijke eigendomsgoederen, dan is het van belang op te merken, hoe de eerste vijf boeken der Heilige Schrift waarschuwen voor de klip, waarop met name het Romeinsche eigendomsrecht is gestrand, om alle goederen als voorwerp van eigendom gelijk te stellen.

Het Romeinsche recht maakt, gelijk bekend is, geen onderscheid in het goed, maar geeft den eigenaar over al zijn goederen hetzelfde volstrekte recht van heerschappij. Op deze wijze werden voor het recht de natuurlijke verschillen tusschen de eigendomsgoederen uitgewischt. Een slaaf werd als een „zaak" behandeld, en tusschen roerend en onroerend goed was voor het recht schier geen onderscheid meer. De eerste vijfhoeken der Schrift daarentegen laten ook die natuurlijke verschillen voor het recht ten volle gelden. De mensch blijft hier ook in slavernij mensch. Dooding van een slaaf moest in Israël dan ook niet als bloote eigendomsvernietiging worden behandeld, maar zelfs tegenover den heer als doodslag worden gewroken (Ex. 21 :20). Het rund, dat een slaaf of slavin had gedood, moest daarom ook gesteenigd worden (Ex. 21:32). En de slaaf of de slavin, welke bij tuchtiging een blijvend letsel was toegebracht, zoo groot als het verlies van een oog, of zoo gering als het verlies van een tand, moest om deze schending van zijne menschenrechten door zijn heer worden vrijgelaten (Ex. 21 : 26 v.). Voor onzen tijd van belang is echter vooral het onderscheid, dat in de eerste vijf boeken der Heilige Schrift tusschen den bodem én de andere voorwerpen van eigendom wordt gemaakt.

Dat de Egyptenaren in Gen. 47 : 18v. tot Jozef komen, om ten laatste tegelijk hun lichaam en hun land als betaling