is toegevoegd aan je favorieten.

De aanneming tot lidmaten, of het kerkelijk vaarwater onzer dagen, inzonderheid Nijmegen-Dordrecht, der gansche Nederlandsch-Hervormde Kerk ter ernstige overweging aangeboden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den jare 1874, bij den aanvang der 2<ie maand, kwam ik hier, en had natuurlijk bij 't weldra daarna invallend Paaschfeest nog geene Aannemelingen. 't Was echter juist toen dat mijn collega Hooijkaas Herderschee de bevestiging van lidmaten hebbende en daarbij andere vragen doende dan de wettig voorgeschrevene, voor het eerst daarover in moeilijkheid kwam. De Kerkeraad beklaagde hem bij gelegenheid der persoonlijke kerkvisitatie, doch visitatoren verzochten, indien men met klagen wilde doorgaan, dit dan ook schriftelijk bij het Classikaal Bestuur in te dienen. Dit geschiedde alras. Eene Acte van beschuldiging werd opgesteld en ingediend — en dit was het eerste stuk, 'twelk ik en ook mijn oude collega Boelens weigerden te onderteekenen.

Dat dit bij velen voor onvergeeflijke ontrouw, laakwaardige halfheid enz. enz. zou gelden, ja door anderen zelfs voor een heulen met het Modernisme zou worden uitgekreten, wist ik van te voren — och, men gewent aan alles, hoewel de smart er over niet sterft! Intusschen — ik zou het plekje hier op 's Heeren straten nog ieder kunnen aanwijzen , waar ik met een paar overigens door mij hoog geachte en beminde broeders, over die zaak stond te spreken, maar dan ook met kracht mijne eerste profetie in dezen hooren deed. Een hunner, die later zijne betrekking als ouderling nederlegde toen ds. Sjoers uit Dordrecht hier beroepen werd-, sprak het met lofwaardige rondheid als zijn gevoelen uit, dat ik een paar dagen op reis geweest zijnde, zulks maar gedaan had om eene vergadering mis te loopen, en Herderschee niet mede te veroordeelen. Ik antwoordde hem: »Hoor eens, waarde Broeder! ik prijs uwe rondheid — ik heb er de reis