Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het Voorleden wijzende, beroept zij zich voornamelijk naar ik meen (ik citeer uit het geheugen, en heb den Brief niet in mijn bezit) op twee zaken. Het eerste is de groote -quaestie uit den allereersten tijd tusschen Joden-Christenen «n Heiden-Christenen; het tweede iets over de Doopsformule. Tusschen Joden-Christenen en Heiden-Christenen , 300 redeneert zij, was de strijd niet minder hevig dan nu tusschen orthodoxen en modernen. En wat deden nu de Apostelen des Heeren, in alles ons voorbeeld? Zij déden niets, maar lieten alles aan den Heer over die het op zijn tijd zelf in 't reine bracht, enz. enz.: Mij dunkt, hier vergeet de Synode twee groote zaken. Vooreerst, de Apostelen deden niets! dat is wel wat kras en buiten de waarheid. Handelingen XV ons de allereerste Synode der Christelijke Kerk beschrijvende, verhaalt ons dat ze juist in dezen wel ter dege wat deden, en op voorstel van Jakobus den Heiden-Christenen aanschreven, zich van vier zaken die den Joden-Christenen 't meeste ergernis gaven, ■en dan ook in ziohzelven 't meest verwerpelijk waren {vs. 29) te onthouden. Voorts deden ze niets dan den Christenen uit de Heidenen vrijheid geven, en die uit de Joden lieten ze hun gang gaan. Geen wonder, waar ze 't vast geloofden en wisten dat die gang al heel spoedig aan een beslist eind zou zijn , dat het Oude Verbond <Hebr. VTH : 13) nabij de verdwijning was, krachtens | woord van Hem die gezegd had: Uw huis worde u woest gelaten! Spoedig zou dus 't Jodendom vallen, en het Joden-Christendom dan zeker nog veel meer en als van zelve — ja waar de Joden als in Jerazalems vuur zouden omkomen, daar zouden de Joden-Christenen behouden worden, doch alzoo als door dat vuur gelouterd.

Sluiten