is toegevoegd aan je favorieten.

De daad bij het woord, gesproken ter algemeene zendingsconferentie van 1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was reeds dadelijk een verrassing, want, terwijl men slechts een kleine groep verwacht had, liep het aantal bezoekers aardig naar de honderd. Het leeuwendeel werd geleverd door de onderwijzers der scholen, terwijl de Zending zich ook niet onbetuigd liet, en de N. C. S. V. door een stuk of twaalf, vijftien oud-leden vertegenwoordigd was. Deze groote opkomst wees niet alleen op veel belangstelling voor dit vraagstuk, maar toonde ook, zooals al spoedig bij de besprekingen bleek, dat er op de verschillende bovengenoemde terreinen reeds meer gedaan werd dan men dacht, en dat het metterdaad hoog tijd was, dat men de hoofden bij elkander stak, om tot de noodige samenwerking te komen. Met name gold dit ook ten opzichte van die punten, die men alleen tezamen kon doen, zooals jeugdleiderscursussen, het uitgeven van een orgaan, kampterreinen en dergelijke meer.

Op deze verschillende terreinen zag men dan ook na de conferentie te Bandoeng een verblijdenden vooruitgang, zooals nu uiteengezet wordt in de volgende punten, waarbij volledigheidshalve maar alles bijeen genomen wordt, en dus ook die zaken genoemd worden, die met de conferentie te Bandoeng overigens geen verband houden, zooals b.v. de Christelijke Agemeene Middelbare School te Batavia, en het Chr. Lyceum te Bandoeng. Met betrekking tot het jeugdwerk kan dan op de volgende punten gewezen worden:

1°. Jeugdleiderscursus en Jeugdleidersblad. De conferentie te Bandoeng bestond op enkele uitzonderingen na geheel uit Europeanen. Dit toont hoezeer er behoefte is aan inheemsche leiders. Staande de conferentie werd dan ook reeds het besluit genomen om gedurende een of twee weken in September 1926 een jeugdleiderscursus te houden te Solo, die dan tijdens de vacantie zeer goed gehuisvest zou kunnen worden in de gebouwen van kweekschool en internaat. Deze cursus is dan ook gehouden onder leiding van Ds. Bakker, Dr. C. L. van Doorn, den heer H. J. W. A. Meyerink en Ds. B. M. Schuurman met ongeveer veertig deelnemers, waarvan de meeste onderwijzers of aanstaande onderwijzers, en ongeveer twaalf studenten der artsenscholen. Het is de bedoeling deze cursussen voortaan geregeld te houden, en men hoopt aldus tot inheemsche leiding in het jeugdwerk te kunnen komen.

Daartoe dient ook het jeugdleidersblad onder redactie van de heeren van Doorn en Meyerink, waarvan in Januari 1927 het eerste nummer verscheen.