Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet kende. Maar toen was ook de morgen der verlossing nabij, want de vrome Bunyan zou een goddelooze worden. Hij hoorde Oods kinderen spreken over den onvrede met zichzelven, over de wedergeboorte, over die nieuwe, eeuwige wereld, die hem vreemd was. En dan begint hij te droomen, dat hij Oods kinderen zag op de zonnige bergen der heerlijkheid en hij zelve was van hen gescheiden door een muur en leed bittere koude. En hij zag zichzelven zoekende een doortocht en vindend een weg, doch zoo nauw, dat er slechts ruimte was voor zijn ziel en zijn lichaam, doch niet voor zijne zonde. En dan wringt hij zich door die engte en komt eindelijk in de zon. Maar weldra ontwaakt hij en het was slechts een droom. En hoe donker wordt het hem dan, hoe bang. Benauwde vragen klemmen hem. Was hij wel uitverkoren ? Was de tijd der genade niet voorbij ? En hij bidt en worstelt met Ood, dewijl hij Hem met Job als zijn Rechter ontmoet.

En toen kwam in zijne hand Luther's boek op de Galaten. Hij zelf teekent ons den opgang des lichts. Hij zat neder, eenzaam, verlaten. Het scheen hem, als straalde Gods zonne met onwil haar licht over hem uit, als werd hij geoordeeld door de steenen der straat, door de pannen der daken. Elk schepsel zag hij gelukkig, levensblijdschap smakend, maar hij alleen was verloren en toen leerde hij Luther's sprake verstaan. De wereld der eeuwige, onzienlijke orde ontsloot zich voor zijn zielsoog, hij schouwde, dat zijne gerechtigheid was in den hemel. Hij zag niet meer zijne gestalte, maar den Christus Gods. Hij smaakte den vrede der consciëntie, die alle verstand te boven gaat, omdat hij door het geloof de gerechtigheid van Christus nu kende in de eeuwige wereld des Onzienlijken hem als de zijne toegerekend. Nu wist hij, dat de mensch, een zondaar zijnde, gerechtvaardigd wordt door toegerekende gerechtigheid.

Sluiten