Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beken verlangt 1 — Doch als wij dan zoo nederzitten, en de goederen dezer wereld ons niet verzadigen kunnen , waarheen zal dan het hart, dat door 't gevoel zijner zonde en ellende neergebogen is, waarheen zal het boetvaardige hart zich dan wenden? h Gelooft het Evangelie! zegt Christus. Dat geloof, dat hier ge» eischt wordt, kan niets anders zijn, dan volkomenc en onbepaalde overgave des menschen van zich zeiven aan het Godsrijk. Zulk geloof kan uit twee onderscheidene oogpunten worden beschouwd, van theoretiechen kant en van eene praktische zijde. Tan theoretischen kant: en dan is het de overtuiging dat de dingen die men zien en betasten kan, alles wat eindig is en tot dit leven behoort, het ware niet is, of zelfs maar werkelijk bestaat, maar dat God, de Geest, liet eeuwige, het Koningrijk der hemelen, het eenig ware, werkelijke, blijvende, eeuwige, onvergankelijke is (Hebr. 11: 1); daarenboven dat God, dat het Koningrijk Gods met al zijne heilgoederen nog verkrijgbaar is, ook dan nog wanneer de mensch in de dienst der zonde daarvan langen tijd verstoken is geweest, om kort te gaan, de overtuiging dat God is en dat hij genadig is! Intusschen is dit voor-waar-houden, deze theoretische overtuiging niets anders dan de noodzakelijke grondslag waarop het waar geloof steunen moet. Naar zijn innerlijk wezen beteekent het woord geloof, zooals Christus en Paulus het gebruiken, een praktische rigting des menschen naar God, eene onbepaalde overgave van den wil aan het Godsrijk, of wat hetzelfde is: God lief te hebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met alle krachten, enten bewijze daarvan zonder de minste verschooning, zonder

Sluiten