Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de hoogte dier kuituur getuigen naast het zooeven genoemde ontwikkeld diplomatiek verkeer in internationale vormen, ook de vele versterkte steden en het drukke handelsleven. Kortom, van Egypte af tot Babel toe, de tusschenliggende landen mede omspannend, bloeide in de 14e eeuw een kuituurleven, veel intenser en breeder dan wij hadden vermoed. Van „primitieve" toestanden is hier niets te merken. Wij zijn er midden in een kultuurwereld.

De goden dezer volken zijn natuurwezens, de kultus is natuurdienst. Wel gelooft het volk (zooals trouwens bij alle religies in alle eeuwen, het Christendom niet uitgezonderd) aan een heirleger van dsemonen en geesten, maar de officieele religie erkent goden, heeft zelfs een naam voor „godheid", Babyl.: i 1 u; men zou kunnen zeggen: „Ilu" is het goddelijke in de goden. De goden wonen op de bergen (of wat hetzelfde is: in den hemel: de hemel rust op de bergen). In Syrië en Palestina wordt de godheid gaarne Baal genoemd. Het schijnt dat aan het i 1 u-begrip zich vooral de gedachte van hemelgoden, aan het b a a 1-begrip vooral later de gedachte van vegetatiegod vastknoopte. Maar in beide gevallen sprak men van de godheid dikwijls zóó, dat vele geleerden aan een vóór-Israëlitisch monotheïsme dachten. In vele gevallen kunnen we het zóó formuleeren, dat men de verschillende goden beschouwde als personificaties van de ééne „godheid" of goddelijke kracht, die men in het natuurleven waarnam, en de kultusplaatsen als de „nederdaling" van de godheid om de offergave in ontvangst te nemen, een soort van pantheïstisch-monotheïsme dus. Het spreekt van zelf dat het volk dit onderscheid niet maakte maar hier gelijk overal de transsubstantiatie toepaste en in de kultusplaatsen de woonplaats (bêthêl) der godheid zag.

Waar het ons hier vooral om gaat, is te doen zien, dat men de kuituur-wereld, waarin Israël optreedt, niet voldoende nauwkeurig karakteriseert door ze „poly-

Sluiten