Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

durft hij het aan om te midden van den feestjubel de doodenklacht aan te heffen:

Gevallen is ze, ze staat niet meer op

De jonkvrouw Israël! Uitgestrekt ligt ze op het land,

En niemand richt haar op.

Men schrok van dat ongehoorde. Jahve kon immers tevreden zijn? Jahve had zijn volk geroepen en gered, en kon 't niet loslaten, evenmin als Kamos zijn volk! Hier blijkt hoe diep de heidensche idee in 't Jahvisme was ingedrongen. Voor 't volk was het de fysieke onlosmakelijke band met zijn God. Amos legt al den nadruk op 't zedelijke, zóó, dat hij zelfs de nationale grenzen overschrijdt: „liever geen volk dan een zondig volk", en „ómdat gij mijn volk zijt, daarom zal ik uwe ongerechtigheden bezoeken". Amos is de eerste bij wien de gedachte der volksreligie en van den volksgod volkómen doorbroken wordt: bij hem wordt het Jahvisme wereldreligie. Voor hem is het zedelijk Jahvisme alles, waarvoor hij zelfs de natie prijsgeeft. Men kan het ook zóó zeggen: bij Amos overwint de ethische gedachte de populaire uitverkiezingsgedachte. God is volstrekt niet aan zijn volk gebonden. Daardoor wordt de mogelijkheid geboren dat, als straks de natie ondergaat, het Jahvisme blijven kan. Volgens de naturalistische voorstelling, waarop 't volk zoo gerust was, zou de ondergang van het volk een débacle zijn voor zijn god. Sedert Amos zal de ondergang van het volk een glansrijke zege voor Jahve zijn, immers dan zal blijken dat hij, tegen alles in, het recht handhaaft. Hèt karakteristieke woord van Amos is: gerechtigheid. Daarmee treedt Jahve buiten de perken van het nationale en wordt wereldgod. Want het recht en het z e d e 1 ij k e als zelfstandige eisch kan niet tot één volk beperkt zijn, maar behoort tot de sfeer van het algemeen menschelijke.

Sluiten