Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eischen die Jahve stelt), brengt Deutero-Jesaia de zedelijke majesteit van Jahve's wezen naar voren. Zijne profetieën over de grootheid van Jahve en de nietigheid der heidengoden (Jes. 40—55) behooren tot de schoonste stukken van het Oude Testament. Over het karakteristieke van dezen profeet, den lijdenden knecht van Jahve, is nog nader te spreken.

Bij hem is de invloed van Ezechiëls arbeid reeds te merken: het universalisme wordt weer particularistisch toegepast, maar tevens op hooger niveau gebracht: „Jahve, de god van Israël" is van een nationale tot een geestelijke grootheid geworden.

De profetie ging dus dezen gang: Sedert Amos is het een steeds meer vergeestelijken der religie en een daarmee gepaard gaand losworden van den volkswaan als zou het heil zich alleen om Israël concentreeren. Steeds meer worden de volken in het heil betrokken en het voorrecht van Israëliet te zijn, minder geacht. Bij Jeremia is het reeds zuiver individueel: vroomheid is het eenige dat God vraagt. Dan gaat Ezechiël consolideeren, verwerkelijken, toestanden scheppen waarin het heil zich openbaren kan. Daardoor treedt de volksgedachte weer voorop. In Deutero-Jesaia is dat te zien. Straks komt Ezra en ommuurt Israël door „de wet", die de heilseeuw moet voorbereiden, en sluit Israël bijna hermetisch van de volken af. Bij Maleachi zien we hoe 't kultische en joodsche alles beheerscht; Jahve verwijt Israël dat het hem onteert door... minderwaardig brood op 't altaar te brengen, of een blind dier te offeren, of hetgeen ziek of kreupel is... Zulke woorden zou Jeremia niet hebben kunnen spreken. Toch heeft die afsluiting door Ezra zegenrijk gewerkt: als straks het Hellenisme alle nationaliteiten en religies nivelleert, is Israël tegen dat proces veilig gesteld, en heeft den kostbaren schat bewaard tot de geboorte van het Christendom.

We zijn er zoo wat aan gewoon geraakt, dezen tijd

Sluiten