Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van die heilsverwachtingen treden vooral drie vormen naar voren:

ie. een kind, dat geboren zal worden als brenger der heilseeuw (Jes. 9:5).

2e. Een koning die een vrederijk sticht; aan wien alles onderworpen is (Gen. 49 : 10).

3e. Een paradijstoestand (Jes. 11 : 1—11).

Hoe komt Israël er toe in die vormen de heilseeuw te verwachten? Waar zijn de aanknoopingspunten? Er kan niet meer aan getwijfeld worden dat zoowel de oordeels- als de heilsverwachting niet specifiek-Israëlietisch is. De parallellen in de toenmalige wereldlitteratuur zijn vele. De verwachting van een „gouden eeuw", een „paradijstoestand" aan het einde, gelijk die er was aan het begin, is aan te wijzen van Egypte af tot Babel toe. In verschillende landen en tijden nam die verwachting verschillenden vorm aan. Maar telkens keert de gedachte terug, dat na een tijd van rampen en ellende een redder zal opstaan, die de gouden eeuw zal doen wederkeeren. In Babel knoopte men deze gedachte vast aan den regeerenden koning, die als god werd vereerd, geboren uit een godin en een onbekenden vader, en die „dagen van recht, jaren van gerechtigheid" brengen zou, waarin „de kranken worden genezen, de gevangenen vrijgemaakt, de hongerigen verzadigd en de naakten gekleed". Die redder wordt geroemd als „de herder, die de verstrooiden verzamelt", „die heerscht met rechtvaardigen schepter". En in Egypte heet het: het volk, ten tijde van den zoon des menschen, zal zich verheugen, zijn naam voortplanten tot in eeuwigheid".

Maar noch in Babel, noch in Egypte hangt deze heilsverwachting samen met zedelij k-religieuze eischen; zij is er in geen geval op gegrond. Ook dragen deze buitenbijbelsche „heilsverwachtingen" geen eschatologisch, maar een zuiver historisch karakter. De oude, algemeen-oostersche heilsverwachting heeft aan Israël

Sluiten