Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet anders gegeven dan vormen en namen en kleuren (Herder, Zoon Gods, Gezalfde, Spruit, de Maagd, die zwanger wordt, enz.). Al deze gegevens zijn voor Israël geweest steenen om den tempel hunner Messiasverwachting mee te bouwen.

Het tijdelijke, zinnelijke, lokale, dat in de oudoostersche voorstelling het geheel draagt, is in Israël naar den omtrek verdrongen; in het centrum staat het geestelijke, eeuwige, goddelijke. Het andere is enkel uitdrukkingsvorm. Van den heerschenden koning uit het Davidisch huis, ziet de profeet naar de toekomst, als het gereinigd Israël door een rechtvaardigen Spruit uit Davids stam zal worden geregeerd. En daar naast: In plaats van den jammer en de ellende van den tegenwoordigen tijd zal de aarde vol vrede zijn. Zelfs de dieren des velds zijn in dit „nieuwe verbond" opgenomen.

Nergens komt het zuiver geestelijke van Israëls heilsverwachting sterker uit dan in de profetieën van den „knecht van Jahve". Hier heeft het Messianisme zich van den bodem der gewone heilsverwachting losgemaakt en is een zelfstandige eschatologische grootheid geworden, zonder eenige analogie. De oude wereld heeft geen parallel aan te wijzen. In het oude Oosten zong men van den stervenden jaargod (Tamoez), die straks herleven gaat, wiens dood met weeklacht en wiens herrijzenis met jubel werd verkondigd, en dat men deze treurliedbewoordingen ook gebruikte bij den dood van zeer beminde koningen, daarvan geeft ons Zach. 12 : li vergeleken met 2 Chron. 35 : 23 een voorbeeld. Hier wordt koning Josia met Hadad-Rimmon(= Tamoez) klachten beweend. Een dergelijke toepassing wil men vinden in de liederen van den „lijdenden knecht van Jahve", zoodat de embryonale vorm ook hier oud-oostersch is, maar dit uitgangspunt heeft voor de voorstelling van den „lijdenden knecht van Jahve" geen meerdere beteekenis dan de „musch op het dak"

Sluiten