is toegevoegd aan je favorieten.

Algemeen reglement voor de Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. dat bij name het vaststellen van bepalingen omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastorij-, kosterijen andere gemeentefondsen en goederen, niet kan geacht worden daardoor als eene bevoegdheid der Synode te zijn erkend;

3°. dat Onze bekrachtiging van dit Algemeen Beglement niet zal kunnen worden opgevat in zoodanigen zin, als of zij op zich zelve en buiten verband met andere verordeningen, geacht zou kunnen worden eenige bepalingen van dit Algemeen Beglement of van speciale reglementen of kerkelijke voorschriften, in het vervolg, buiten Onze goedkeuring vast te stellen, buiten de Kerk verbindend te maken, hetzij ten aanzien der Regering of der Staats-ambtenaren, hetzij ten aanzien der tot de inrigting van den Staat behoorende besturen en collegien;

4°. dat uit het voorkomende aan het slot van art. 4 niets zal kunnen worden afgeleid ten aanzien der bevoegdheid van de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, tot regeling der belangen en betrekkingen van de Profes tantsehe Kerken in Neêrlandsch Oost- en West-Indie, waaromtrent Wij Ons voorbehouden de bestaande bepalingen, zoo noodig, te wijzigen, in verband tot de behoeften en belangen dier Kerken, de regten van den Staat en de aanspraken welke, naast de Hervormde Kerk, ook de andere daarbij betrokken kerkgenootschappen kunnen doen gelden;

5°. dat alle eventuële veranderingen, hetzij in het thans bekrachtigde Algemeen Reglement, hetzij in andere reglementen of reglementaire bepalingen, mitsgaders alle nieuwe reglementen en reglementaire bepalingen, dadelijk ter kennis van de Regering zullen worden gebragt, door het collegie van kerkelijk bestuur, 't welk die veranderingen, reglementen of reglementaire bepalingen vaststelt, of, zoo daarop goedkeuring of bekrachtiging van hooger kerkeUjk bestuur wordt vereischt, door het collegie van bestuur 't welk de goedkeuring of bekrachtiging verleent;

6°. dat mede van alle benoemingen en veranderingen in het personeel der besturen boven den Kerkeraad, dadelijk aan de Regering zal worden kennis gegeven, door het