Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met alles wat in en aan het ik is. Ahrens, de zaak duidelijk willende maken, zegt: dat de wereld in Terhouding tot God staat, als de bloesem tot de wezenheid des booms, waarin de bloesem met al, wat tot den boom behoort, bevat en gegrond is, eveq zoo als de boom wederom zijnen grond heeft in de wezenheid van het plantenrijk, en zoo verder, t. a. p. p. 178. Gij zelf hebt, in de voor mij liggende recensie, de vergelijking gekozen der verhouding van het nog ongeboren kind tot de moeder, p. 106. Ook in dit voorbeeld maakt de moeder met het kind hetwelk zij onder het hart draagt, één organisch zamenhangend geheel uit. De moeder zóó als geheelheid beschouwd, is de grond van alles wat in en aan haar is, dus ook van het kind; met andere woorden: dat de nog ongeborene vrucht leeft en zich allengskens ontwikkelt, heeft zijnen grond daarin, dat zij een organisch zamenhangend deel is van het geheel, dat wij moeder noemen.

Zoo stelt gij u dan, met Krause, de verhou-i ding voor tusschen God en de wereld. Volgens die voorstelling, zegt gij, »is het er verre af dat God en de wereld eenerlei zouden wezen". Ik geloof dat gaarne; evenmin eenerlei, als dat de wereld als organisch zamenhangend totum, als universum beschouwd, eenerlei is met het aggregaat van alle hare bijzondere deelen; evenmin

Sluiten