Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in alle dingen werkzaam. (Heid. Cat. Zond. 9.) De beschuldiging van Pantheisme, die ik tegen Krause inbreng, heeft dus haren grond niet ! in zekeren afkeer van het denkbeeld der imma- l nentie van God. Ook daarin niet, dat ik ontkennen zou, dat er volgens-K ra u se onderscheid gemaakt wordt tusschen God en de wereld. Wij l hebben gezien, op welk eene wijze dat onderscheid door hem wordt vastgesteld; maar wij noemen het Godsbegrip van Krau se Pantheïstisch, om dat hij werkelijk het nav, ))das Ganze" God noemt, »Vunité, volgens Ahrens, de la nature \ et de Vesprit", en omdat hij geen ander onderscheid leert tusschen God en de wereld, dan tusschen het geheel, als geheel, en tusschen het geheel als het I aggregaat zijner deelen, dan tusschen het omvat- I tende en het geen omvat wordt, contenant et \ le contenu"). Dat nu kan ik niet anders dan wereld- j vergodmg noemen. Ook met betrekking toch tot / het geen Kra üse das »ganze Wesen" noemt, blijf ! ik vragen naar den grond, waarin ook dat wezen, ( als harmonisch zamenhangend geheel beschouwd, j als universum rö nar, gegrond is ? Dien hoogsten j en laatsten grond nu, waarin ook dat groote ■ al gegrond is, noem ik naar mijne overtuiging God. Eu die God heeft de wereld niet in zich, even als de moeder, volgens het door u opgegeven voorbeeld, het ongeboren kind, zoodat de wereld ook mede tot de gedachte »God" zou |

Sluiten