is toegevoegd aan je favorieten.

Erfelijkheid en rasverbetering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven. Het was vooral Morel, die door de studie bij enkele alcoholisten tot de conclusie kwam, dat een voortschrijdende degeneratie tot stand kwam, die reeds in het derde of vierde geslacht tot uitsterven aanleiding geeft. Oppervlakkig vertoont deze regel eenige overeenkomst met de woorden uit het tweede gebod, dat God de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die Hem haten.

Deze leer is een der hoofdmomenten geweest in de nieuwere litteratuur, waarbij de bekende roman-cyclus „le RougonMacquardt'' van Zo la en niet minder „Gespenster" van Ibsen als voorbeelden kunnen worden aangehaald. Het is duidelijk, dat zulke lectuur een ontzaglijk schadelijken invloed uitoefent, want het gevoel, dat men door een ijzeren noodlot wordt voortgedreven, is natuurlijk doodelijk voor alle ware levensvreugde en voor ieder besef van verantwoordelijkheid. De studie der erfelijkheid heeft dan ook niet tot zulke resultaten geleid, en bevat nog steeds zoo vele onopgeloste problemen, dat allerminst sprake is van vaste wetten.

*

Ten slotte komen wij dus tot de conclusie, dat de vooruitzichten omtrent een mogelijke rasverbetering op grond van datgene, wat tot dusverre omtrent de erfelijkheid bekend is, niet gunstig zijn te noemen. Dit resultaat is volkomen in overeenstemming met wat ons omtrent het wezen van den mensch in Gods Woord is geopenbaard. Wij worden in zonden ontvangen en geboren en zijn van nature geneigd af te wijken van de geboden Gods. Wij worden overheerscht door het kwade, want zegt de Apostel niet, dat als ik het goede wil, het kwade bij mij ügt?

Door de gemeene gratie wordt echter de werking der zonde gestuit en de kleine overblijfselen van zijne oorspronkelijke gaven zijn de oorzaak, dat de mensch nog voldoende besef heeft van wat goed en kwaad is; de Apostel schrijft het immers: want wanneer de Heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze de wet niet hebbende, zijn zichzelve een wet, als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hun geweten medegetuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende.