Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na de herstelling van het huis van Oranje, toonde de Nederlandsche regeering bij verschillende gelegenheden -weinig genegenheid jegens de K1 e r e z i e, zooals men haar noemde, ofschoon zij zich kon beroemen het nationale Katholicisme te vertegenwoordigen.

De Nuncius in den Haag of te Brussel spanden allerlei intrigues, met dat gevolg dat de Nederlandsche regeering telkens aan de benoeming van een aartsbisschop door het Kapittel moeilijkheden in den weg legde. Intusschen werden die bezwaren telkens overwonnen en in 1826 werden de drie bisschoppen van Utrecht, Haarlem en Deventer in hunne waardigheid door de regeering erkend.

In 1828 wilde het Hof van Rome een ander middel beproeven, en droeg den Nuncius Capaccini op uit te zien naar middelen om tot een schikking te geraken, namelijk in dien zin, om de Hollandsche bisschoppen over te halen dat zij van hun rechten zouden afzien. Het verhaal van het onderhoud van Capaccini met den Aartsbisschop Van Santen is nauwkeurig opgeteekend, en het gesprek tusschen dien waardigen prelaat en den listigen Nuncius is zoo karakteristiek, dat wij het moeten vermelden. Men vindt het o. a. in het werk van dr. Bennink Janssonius; Geschiedenis der Oud R. K. Kerk van Nederland ('s Gravenhage, .1870).

Capaccini begint met de voorzichtigheid, gematigdheid en wetenschappehjkheid van den Aartsbisschop te roemen. Daarop zeide hij, dat al de geschillen tusschen de Jan-

Sluiten