is toegevoegd aan je favorieten.

Nieuwejaarsgeschenk aan Nederland, een ernstig woord aan Vorst en Volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn werk in geenen deele; doch ik verwacht niet dat iemand zulk eene volmaaktheid vorderen zal. Ik heb mij ook niet opgehouden met de wederlegging van sommige mondeling en schriftelijk wegens mij en mijne werkzaamheid verspelde lasteringen; dewijl mijn voornemen niet was om eene zelfverdediging te schrijven, maar om een getuigenis te geven. Bovendien acht ik een ieder, die zich, bij het verspreiden van kwade geruchten over eenen persoon of eene zaak, in het duistere der naamloosheid hult, de eer eener verantwoording niet waardig. Zulke laffe boosheid moge in de volgende gebeurtenissen de smart ondervinden, dat, schoon ook sommige ligtvaardige menschen aan zulke geruchten iets hechten, de almagtige God dezelve logenstraft door de verijdeling van der zeiver schadelijke gevolgen, en door de zegening van den arbeid des gelooft Zijner kinderen.

Sommige menschen zullen de personeele toespraak aan den Koning niet welvoegelijk achten; ik heb geoordeeld dat ik in zaken van zulk een hoog en eeuwig belang mij niet mogt >iaten binden door regelen eener welvoeglijkheid, gesteld door menschen, die buiten 's Forsten tegenwoordigheid zich de vermetelste oordeelvellingen over Z. M. durven aanmatigen, terwijl zij in Zr. M'. tegenwoordigheid niets anders kunnen als zich schuldig maken aan laffe vlijerij.

Uit het geopenbaarde Woord van God weet ik, dat God het in Zijne dienaren niet onwelvoegelijk acht, maar het in tegendeel van de Zijnen vordert, dat zij daartoe gelegenheid hebbende ook de Forsten en Regters personeel aanspreken en opwekken. Ik heb in geen opzigt de Majesteit van den Koning gekoetst, maar alleen getoond, dat ik de JHajesteit Gods boven die van eenen aardschen Forst weet te eerbiedigen. Bij deze gelegenheid moet ik het tevens opmerken, dat ik het eene grieve acht tegen vele Christenen, dat zij veel over den Koning in hunne vriendenkringen weten te spreken, doch niets tegen den Koning in persoon durven zeggen. Wij weten uit Godt Woord, dat de Vorstelijke