is toegevoegd aan je favorieten.

Nieuwejaarsgeschenk aan Nederland, een ernstig woord aan Vorst en Volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik was toen voornemens om, voor ik de toen voorgenomen* bezoekreis naar de Vereenigde Staten ondernam, de aangebodene audiëntie aan te vragen. Intusschen werd de behandeling van meerdere zaken voortgezet, in het Tijdschrift de Reformatie. In het Nummer van Augustus werd de vraag behandeld: Wal moet er van Nederland worden ? Het bleek mij duidelijk, dat dit alles aan de Regering niet aangenaam was; want niettegenstaande ik ben voortgegaan om maandelijks de volgnummers aan Z. M. te zenden, ik heb na de maand Julij geen antwoord meer ontvangen. Dit toont eenige verandering in het gedrag des Konings ; doch het zal niemand bevreemden, dat ik na eene ondervinding van vijf jaren, oordeel dat die verandering niet zoo zeer aan den persoon des Konings, als aan de Z. M. omringende personen geweten moet worden. Daar door van mij onafhankelijke omstandigheden mijne voorgenomene reis is verhinderd , heb ik ook nog niet gevraagd om een bijzonder gehoor. Ik blijf echter personeele betrekking houden op eenen Vorst, waaraan mijne ziel reeds sedert jaren gehecht was, en welke gehechtheid ook niet is verbroken geweest, toen bijna de geheele Natie luide afkeerigheid te kennen gaf, na het gebeurde in Antwerpen, tijdens de Belgische revolutie. Ik heb in de laatste jaren meermalen tot den Vorst het woord gerigt, zoowel vóór als gedurende Zr. M\ Koningschap. Dat woord zal welligt soms den schijn hebben gebad hard en scherp te zijn; doch ik ben verzekerd, dat indien al iemand zoo duidelijk en rond tot den Koning sprak, gewis niemand met meer liefde gesproken heeft. Ik heb mijn geweten van den Vorst vrijgemaakt, zijn bloed zal van mijne hand niet geëischt worden. Heeft dat woord de gewenschte uitwerking niet gehad, dat ligt niet tot mijne verantwoording. Dat het zaad op den weg, op eenen steenachtigen grond, of onder de doornen geen wortel vat, geen vruchten voortbrengt, is noch aan het zaad, noch aan den zaaijer te wijten, maar aan de gesteldheid van den grond. Die grond, namelijk het hart te veranderen, is niet mijn werk; dit is de arbeid der Goddelijke genade. Die genade zal ik voor den Koning blijven vragen, zoo