Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ i. De critische methode.

Voorop moge gesteld worden, dat de critische philosophie een wetenschappelijke methode van eigensoortig karakter is, niets meer en niets minder, en dat men aan de beoefenaren dezer methode den eisch mag stellen, dat zij in hun geschriften ook niet anders doen dan philosopheeren met vermijding van iedere inmenging door andere i.c. bijzondere wetenschappen.

Nemen wij een botanicus, die midden in de botanische analyse van een plant, gaat vertellen, dat de planten zoo schoon zijn, dat God hen heeft geschapen, dat zij van groot belang zijn voor de voeding. Of nemen wij een kunsthistoricus, die midden in de beschrijving van de kunst van Titiaangaat uitweiden over de historische ontwikkeling van Venetië. Hoe zullen wij deze mannen beoordeelen? Wij zullen hun gebrek aan wetenschappelijke habitus, aan methode, aan zelfbeheersching verwijten, niet omdat wij de planten leelijk vinden of niet aan God gelooven of ontkennen, dat zij dienstig zijn voor de voeding, niet omdat de stad Venetië ons koud laat, maar omdat wij iedere vemarring van methoden, ieder methodensyncretisme onwetenschappelijk vinden.

Ook de philosophie moet iedere vermenging van methoden en onderzoekingen vermijden. Ook zij moet nuchter, zelfbeheerscht, exact en zakelijk haars weegs gaan.

In dezen „ironischen" trant hebben wij getracht onze Summa te schrijven: ter zijde latende, wat niet ter zake doet, negeerende, wat voor ons onderzoek van geen belang was, in bewuste „eenzijdigheid".

Wij trachtten een strenge methode te volgen, maar moesten daartoe veel opruimen. Ons pro hield noodwendig een contra in. De klacht van Kant, dat de philosophie nog geen vasten gang heeft, is nog steeds niet overbodig geworden. De grondoorzaak van dit, haast ongeneesüjk schijnende, euvel is in niets anders gelegen, dan in het vervagen der grenzen tusschen de philosophie eener —, en de bijzondere wetenschappen anderzijds, in niets anders dan in het feit, dat telkens weer één dezer laatste zich aanmatigt in het centrum der wetenschap, de philosophie, binnen te dringen en vandaar uit de baas gaat spelen over de andere wetenschappen, dat zij zich uitroept tot wetenschap der wetenschappen en despotisch haar zusters aan zich onderwerpt. Van deze coups d'état geeft de geschiedenis der philosophie voorbeelden te over. Waar de natuurwetenschap de philosophie binnendringt en zich tot heerscher uitroept, ontstaat het naturalisme en waar de zedeleer de alleenheerschappij usurpeert, het moralisme en zoodra de kunstleer haar staatsgreep doet, het aestheticisme. Op analoge wijze ontstaan in de philosophie het psychologisme, het historisme, het theolo-

Sluiten