Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

▼en. Aan de Christenen te Rome schrijft Panlus: Christus is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven, (i) Aan de Corintbiërs schrijft hij : God was in Christus, de wereld met zich zeiven verzoenende; haar hare zonden niet toerekenende. Want dien, die geene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt; — dit kan niet anders beteekenen dan: als zondaar voor ons behandeld, — opdat wij zouden worden, regtvaardigheid Gods in Hem. (2) Aan de Galatiërs betuigt Paulus: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want daar staat geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. (3) Den Ephesiërs verzekert de Apostel: Wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom zijner genade. (4) Petrus betuigt: Die onze zonden in zijn ligchaam gedragen heeft op het hout. (5) Ook Johannes schrijft: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, remiot ons van alle zonden.'(6) En dezelfde Apostel meldt ons in de Openbaring , dat het bloed van Jezus ook de roemtaal der gezaligden in den hemel uitmaakt: want zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen en zijne zegelen te openen ; «-077* Gij zijt geslagt, en hebt ons Gode gekocht met Uwen bloede, uit alde geslachte en tale en volke en natie. (7)

Deze en meer andere uitspraken van Gods Woord, zetten genoegzaam licht bij, aan onze tekstwoorden : Christus heeft ook eens voor de zonden geleden ; Hij regtvaardig voor de onregtvaardigen En de van schuldgevoel verslagene, de naar genade en vergeving smachtende Christen , zal uit deze plaatsen, onze- tekstwoorden voorzeker dusdanig beschouwen : dat Christus niet slechts ten nuttfc, maar ook als Middelaar en Schuldverzoener voor de zonden'- heeft geleden, en dat Hij, de regtvaardige en onzondige, voor onregtvaardigen, voor schuldige zondaren , door zijn gehoorzaam , onschnl* dig, heilig lijden en sterven, volkomene genade en TI) Romv S,: 6. (2) 2 Cor. 5: 19:, 21 (3) Gal. 3: 13. r4) Efe*. 1: 7. 2: 24. (6) 1 Joh. 1 • 7.

Sluiten