is toegevoegd aan uw favorieten.

Christendom en cultuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt gesteld. Is het zóo, dat de cultuur uit het Christendom vanzelf voortvloeit, of vormt het slechts een bestanddeel van haar? Vullen beide grootheden elkander aan, of maakt de eene de ander overbodig? Staan zij tegenover elkaar, of ligt liet in hun aard elkander te zoeken?

Laat ons bij de verwarrende veelheid van vragen beginnen met kalm het feit te constateeren, dat te allen tijde een nauw verband heeft bestaan tusschen Christendom en cultuur, ;:ooals tusschen deze en den godsdienst in het algemeen. Wij hebben reeds gelegenheid gehad dit feit met de geschiedenis te illustreeren. Hoeveel stof en bezieling heeft de cultuur telkens aan het Christendom ontleend. Neem de bijbelsche geschiedenis weg uit de kunst, en gij berooft de schilderijen van hunne schoonste figuren, de letterkunde van hare beste producten, de muziek van hare edelste motieven. De wereld der kunst zou dof en arm zijn zonder het Christendom, dat immers de meest aangrijpende thema's van haat en liefde, van schuld en verzoening, van ellende en zaligheid, kortom van het leven in zijne diepte en veelzijdigheid bevat. Maar de cultuur bestaat niet uit kunst alleen. Ook de wetenschap behoort tot haar. En waaraan anders dankt deze hare vruchtbaarste beginselen en doeltreffendste hypothesen dan aan het Christendom? De samenhang der verschijnselen, de redelijkheid, die in alles, ook in het meest verwarde, wordt gezocht omdat zij in alles wordt ondersteld, de wet der ontwikkeling, die de natuur en de geschiedenis beide in beweging ziet en haar doel stelt — deze voor de wetenschap onschatbare grootheden zijn van Christelijken huize, want eerst het Christendom heeft de wereld kunnen opvatten als een kosmos, die door goddelijke Voorzienigheid wordt geleid en volmaakt. De samenleving der menschen — zij is ten slotte niet mogelijk als de olie der zielen ontbreekt, die men wel uit velerlei motieven tracht af te leiden en waarvoor verschillende namen worden gezocht, maar die toch ten slotte in de Christelijke liefde haar zuiversten naam en krachtigst motief vindt. De organisatie van het stoffelijke leven — hoe wordt zij- beter verzekerd dan in het Christendom, dat niet dualistisch, zooals bijna elke wijsbegeerte, die dezen naam verdient, de stoffelijke wereld als onredelijk ontkent of verwerpt, of monistisch aan deze stoffelijke wereld de geestelijke opoffert en daarmede beide in hunne bestemming teniet doet, maar dat ook de