is toegevoegd aan uw favorieten.

Christendom en cultuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheidenheid, met hare stoffen en krachten, hare energie, hare vatbaarheid voor allerlei toepassing tot verrijking en verheffing, tot verzachting en veredeling van het leven, langs den weg van wetenschappelijken, artistieken, technischen, socialen arbeid — dan kan de cultuur zijn besef van Gods heerlijkheid verdiepen, verlevendigen. Hij behoeft waarlijk niet precieuser te zijn dan God zelf en de cultuur te verachten, als God het niet beneden zich geacht heeft eene natuur te scheppen, die vatbaar is voor zóo rijk eene cultuur. Ziehier mede den vloek van de scheiding tusschen Christendom en cultuur, dat het Christendom dikwijls zoo aarzelend en twijfelend staat tegenover allerlei ontdekkingen van wetenschap, toepassingen van techniek, scheppingen van kunst — uitdrukking van zooveel vernuft en geduld, van zooveel spanning van wil en kracht van denken, van zooveel toewijding en naastenliefde vaak ook, en daarom toonbeeld van de wijze, waarop God den mensch op de schepping en de schepping op den mensch heeft aangelegd, opdat zij elkander zouden zoeken en vinden.

Ongetwijfeld, de mijding, die wij wraken, is in zekeren zin noodzakelijk. De cultuur, in zooverre zij naar Paulus' treffende karakteristiek „het schepsel eert en dient boven den Schepper, die te prijzen is in eeuwigheid", verandert daarmede ,,de waarheid Gods in de leugen", en zij dwingt het Christendom tot onthouding en zelfs tot strijd tegen zulk eene secularisatie. Maar dezelfde apostel, die zoo in zijn brief aan de gemeente te Rome, het centrum der heidensche cultuur, deze cultuur geeselt, stelt toch ook het Christendom voor als de „kracht Gods tot zaligheid eerst den Jood en ook den Griek" 1). Terwijl het dus de valsche ontwikkeling van het cultuurleven veroordeelt, eischt het dit leven zelf voor zich op om het te herscheppen en te heiligen.

III

Als het ons gelukt is eenigermate de betrekking tusschen Christendom en cultuur in hare actie te schetsen en in hare rust te bepalen, behoeven wij geene gevolgtrekking meer te maken. Dan ligt deze gereed en mogen wij volstaan met haar te formuleeren.

Rom. i : 26, 15 v.