is toegevoegd aan uw favorieten.

Antwoord aan den Heer C. Broere, R.C. Priester en Hoogleeraar aan het Seminarie te Warmond

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

righeid?" — Laat ons daartegen eens eene andere vraag overstellen. Kan het gevaar denkbeeldig zijn, dat het geheele Protestantsche Nederland, en daarbij de begaafdste, uitstekendste, edelste mannen heeft ontroerd? Indien bij hen/allen hetzelfde onverstand heerscht-, wie zijn dan de vertegenwoordigers van ons volkskarakter, waarvan gij het gezond verstand als uitsluitenden grondtrek opgaaft ? Indien zij zoo door hartstogt vervoerd werden, en dat nog wel uit vrees voor eene loutere hersenschim , waar zijn dan de typen van die bedaardheid te vinden, die gij aanvankelijk in onzen landaard zoo geprezen hebt? Indien gij zulk eene houding als »oproerigheid" brandmerkt, zoudt gij u dan niet vergissen in den zin en de kracht van woorden, ontleend aan onze Nederlandsche taal ?

Evenmin zal ik u volgen bij uwe uitlegging van de Grondwet, maar ik geloof toch dat er nog al onderscheid is tusschen den zin van art. 164 en hetgeen gij er in leest. »De belijdenis van elk individu is vrij." Dit wordt onder uwe handen eenvoudig gereconstrueerd als of er stond : »de inrigting, de organisatie van een godsdienstig genootschap of kerk is vrij." Daarbij geloof ik dat gij een gevaarlijk advocaat zijt voor uwe eigene zaak. Want terwijl gij uit de Grondwet teregt bewijst, dat de bestaande kerkgenootschappen aanspraak hebben op bescherming, erkent gij tevens volmondig, dat uw genootschap eigenlijk vroeger nooit bestaan heeft, omdat het voor de invoering der Hierarchie nog nooit geconstitueerd was, en dit voor zijn bestaan onmisbaar was. Daaruit zou volgen, dat het R. C. kerkgenootschap niet viel in de categorie bij art. 165 bedoeld,