Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze laatste opvatting deelt natuurlijk elke rechtgeaarde baker, keukenmeid en kruidenier, of wie al zoo zich de penitentie oplegt 's heeren Postmus' oeuvre te verstouwen.

Niet echter de „Ons Tydschrift"-menschen die weten, hoe de heer Kuyper den heer L. Bïickmann z'n verwondering te kennen gaf, dat men zich in O. T. zooveel aan den Standaard-„criticus" liet gelegen liggen. Eerst had men hem, aldus de premier, in de politieke afdeeling gehad, maar dewijl hij hierin niet wèl onderlegd bleek, en bovendien het weinige dat hem geschonken was, niet op de juiste wijze onder woorden brengen kon, heeft men hem, toen de Standaard vergroot zou worden, maar (let op dat kostelijke „maar") de rubriek „Letteren en Kunst" toevertrouwd. Toen de heer Bückmann bescheidenlijk de opmerking maakte, dat dit dan toch geen erg hoog beginsel was, luidde het antwoord dat men anders niet wist, waar met hem heen te moeten. Men zou dus een aardige satyre kunnen schrijven over: „hoe men onder Calvinisten kunstcriticus wordt", en meteen eens roerend in 't licht stellen, hoe hoog de calvinist over de kunst denkt, en dat de calvinistische idee wonderwel zich met de kunst weet te verstaan en lieelemaal geen antipoden mogen worden genoemd.

Intusschen zal de lezer nu begrijpen, waarom wij dat: „Haast zoudt ge het niet geloovon", op onze wijze opvatten.

Walgelijk echter is de aanblik op het geknoei van den heer Kuyper, wanneer men weet hoe bi] in het O. T.artikel, heeft geplaatst het gunstigste fragment uit de overigens m. i. niet zeer gunstige Spectator-beoordeeling van 's heeren J. Postmus' „Calvinistische Vertoogen", als

„ploerten schold, te kruipen voor wie in het corps naam had. Gelijk verschijnsel hier."

Dit fraais slaat op mij.

Waar is het bewijs dokter, waar is het bewijs redactie van O. T. die zóo uw trouwste medewerker belasteren laat donder eenige schaamte, terwijl gij beter wist?

Gij moogt de O. T.-beweging in de calvinistische kringen schade trachten te doen, dr. Kuyper; goed ik zal zwijgen. Gij moogt mij bewijsloos belasteren, mij zelfs als bliksem-afleider gebruiken om de algemeene aandacht van uw eigen verlegenheid af te trekken, ik zal zwijgen.

Maar dat gij, met streken op het kompas als ik thans publiceer, den toon van een moreel-hoogerstaande tegen mij die de Waarheid ten bloede toe dienen zal, tracht aan te slaan, dat was mij voor vleesch en bloed te machtig. Wraak is het niet, maar gij perst mij tot het uiterst recht. En ik wil dat over uw fielten-insinuaties heel de beschaafde wereld, behalve uw trouwe aanbidders natuurlijk, schande, schande roepen zal.

Sluiten