is toegevoegd aan uw favorieten.

Salomo's Hooglied voor de gemeente bewerkt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet, dan anders heengegaan zijn, dan naar bloemhof en weide ?

Maar mag de geliefde verre zijn, toch blijft de band bestaan. Zij is zichzelve kwijt; ten eigendom is zij genomen door hem, wien zij toebehooren wilde; ook hij is haar eigendom, en met geene andere behoeft zij het recht op hem te deelen. Hare traagheid, om hem de deur te openen, toen hij haar bezocht, heeft geene vervreemding teweeggebracht. De band der liefde is er niet losser door geworden.

De drie eerste verzen van dit hoofdstuk behooren eigenlijk nog bij het vorige. Eerst bij vs. 4 vangt een nieuw tooneel aan. Salomo treedt op, en betuigt vs 4—10 nog vuriger dan te voren hoezeer hij haar voor zich begeert.

Gij zijt schoon, mijne vriendin ! gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren. 4. Wend uwe oogen van mij af, want zij doen mij geweld aan: uw haar is als eene kudde geiten, die het gras van Gilead afscheeren. 5. Uwe tanden zijn als een kudde schapen, die uit de waschstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geene jongeloos. 6. Uwe wangen zijn als een stuk van eenen granaatappel tusschen uwe vlechten. 7. Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijwen, en maagden zonder getal. 8. Eene eenige is mijne duive, mijn volmaakte, de eenige harer moeder, zij is de zuivere dergene, die haar gebaard heeft: als de dochters haar zien, zoo zullen zij haar welgelukzalig roemen,