is toegevoegd aan uw favorieten.

Emigratie van Nederlanders naar onze overzeesche bezittingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in korten tijd pi. m. 200 omkwamen, neemt men daarbij in aanmerking hoevelen ten gevolge van dat eerste lijden zijn verzwakt en door sleepende ziekte zijn weggemaaid, dan moet men er toe besluiten, dat, wanneer, na 27 jaren, nog 120 hunnor of hunner afstammelingen in tame] ijken welstand, zonder noemenswaardige ondersteuning van buiten af, zich hebben staande gehouden, dit alle hoop geeft op het welslagen eener kolonisatie van landbouwers, welke met beter toevoorzigt, met de vereisehte zorg en omzigtigheid wordt aangelegd. Ondanks hun lijden handhaven zij zich, hoeveel te beter moet het uitzigt zijn wanneer de lessen hunner droevige ervaring dat lijden leeren voorkomen ! —

Men achte evenwel ter andere zijde, de zaak van zulk eene Emigratie ook niet te ligt. Een overspannen verwachting alleen kan meenen, dat alles daarbij in alle opzigten zal slagen. De bezwaren eener zeereis mogen hier niet in aanmerking komen; zij waren er ook bijaldien de Emigrant naar NoordAmerika reizen zoude. Er ziju ontegenzeggelijk bezwaren, aan de tropische gewesten bij uitsluiting eigen. — Er valt toe te zien of het ligchaam geschikt zij. Het komt er niet op aan of men een kolossaal groote en een gezette ligchaamsgestaltc bezit. Deze benadeelt veeleer. Maar eene doorgaande gezondheid , en die gesteldheid, die men met den eigenaardigen naam van ntaatheid" bestempelt, zijn het meest gewenscht. Dan \alt er niet minder te vragen , of de geest geschikt zij. Al weder wordt geen groote intellectucele ontwikkeling daarbij vereischt; maar een goed verstand, eene goede mate van doorzigt en van overleg, daarbij eenige kennis van dat wat landbouw is en landbouw vordert zijn noodig. Maar dan vooral moed en kloekheid. Liefst een opgeruimd gemoed. Inzonderheid een heilig gevoel van pligt, bij welk gevoel men de geheele zaak der Emigratie, niet met de oogen van den onberedeneerden avonturier beschouwt, maar kracht erlangt, om ook bij tegenspoed, te dragen wat God ons oplegt. Het is wonderbaar hoe Godsdienstzin, zelfs wat velen overspannen Godsdienstzin zouden noemen, de grootste bezwaren kloekmocdig tegengaat en met volharding doet braveeren. Geene geschiedenis heeft zulks meer geleerd, dan die der kolonisatiën. Men denke aan den grondlegger van Pensijlvanie, waarbij men