is toegevoegd aan uw favorieten.

Emigratie van Nederlanders naar onze overzeesche bezittingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zij welke naar die landen heengaan en die onderhevig zijn aan jicht, en katarrisehe en sciatique ongesteldheden, keeren volkomen hersteld en gezond terug." — „Wij lezen" zoo vervolgt de heer Cochut „in het laatste berigt, te weten dat van Schomburgk, een berigt dat een allezins wetenschappelijk karakter draagt: „de tering is aan de kust onbekend; meuschen door deze ziekte aangedaan en uit Europa hier aangekomen, zoo ook uit Noord-Amerika , zijn geheel hersteld." — Laat het zijn dat wij dergelijke verzekeringen niet letterlijk opvatten, wij willen ons toch tusschen de sijstematische lofredenaars en de blinde berispers inplaatsen, en kunnen dan toch zulk eene waarheid vinden, die voor de gezondheidstoestand van Guijana pleit." «)

De verschillende hoogte der landen bepaalt evenwel het klimaat in Guijana en ook in Suriname, aanmerkelijk. Zoodra men zuidelijker komt en de bergstreken nadert houden de 4 afwisselende jaargetijden op, en nu deelt men in den doorgaans vochtigen tijd, met regen in alle maanden, die zoo als men weet, den lcalmtegordel ter wederzijde van den Evennachtslijn kenmerkt. Doch, gelijk in die hoogere streken,'ook het lagere land wordt nimmer geplaagd door de orkanen, die zoo dikwijls de schoonste oorden op de Antilies verwoesten.

Hoofdrivieren, en dus bevaarbaar, zijn in Suriname, — behalve beide grensrivieren, de Corantijn en de Marowijne, — van het westen af gerekend, de Nicherie, de Coppename, de Saramacca, en de rivier Suriname met de Commewyne. In die rivieren stroomen eene menigte andere wateren uit, deels zelve vrij groote rivieren vormende, als de Para rivier in de Suriname uitloopende, de Cottiea en Perica rivieren, deels kleinere wateren, welke in Suriname hreeken genoemd worden. Het grootste deel des lands is dus met een net van wateren bedekt, die in den regentijd hoog opzwellen en dan verschillende meeren vormen , welke in den droogen tijd vele moerassen of zwampen achterlaten. De hoofdrivieren hebben allen hunnen loop van het zuiden naar het noorden, doch, vooral kort bij haren uitloop in zee, met eene N. W. strekking. De bronnen der meesten moeten gezocht worden in de onbekende bergstreken, die de zuide-

1) Zie Rei. den Deux mondes 1845. 3. j>. 227.