Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de moraal zou dit daarop neerkomen, dat het willen zelf zonder meer het goede bij uitnemendheid ware. De zedelijke mensch ware dan hij, die de hoogste energie, de krachtigste intensiteit van zijn willen ten toon spreidde, zonder dat in 't minst in aanmerking kwam de richting, in welke hij zich bewoog, en het doel, dat hij beoogde. De eenige regel in de moraal zou dan deze zijn : wil slechts, wees sterk, stoor u aan geen wet of regel, maar betoon uw kracht en ga uw gang 1 Een volkomen vrij, een absoluut autonoom willen, gelijk Kant dat in de moraal begeerde, sluit eiken band, ook dien aan de zedewet, uit.

De redenen, waarom deze onafhankelijke moraal van Kant, ofschoon nog door velen verdedigd, toch in den tegenwoordigen tijd over het algemeen is prijsgegeven, zijn niet zoozeer in de kracht der daartegen ingebrachte bedenkingen, als wel in de gansch veranderde geestesstroomingen en tijdsomstandigheden gelegen. Kant was n.1. nog van oordeel, dat het zedelijk-goede in zichzelve rustte, dat het geweten iets oorspronkelijks was, dat men het gezag der Schrift, het gebod van Christus, het bestaan van God gerust ter zijde kon stellen, zonder daarmede in het minst aan de zedewet afbreuk te doen.

Maar dat is in de vorige eeuw een verouderd standpunt geworden. De achttiende eeuw bleef, om zoo te zeggen, nog vol bewondering staan voor de stem der conscientie, en erkende daarin eene Goddelijke, onweerstaanbare autoriteit. Maar de negentiende eeuw is veel minder bijgeloovig; zij is ook in dat heiligdom des gewetens binnengedrongen ; bevond, dat de Godheid, daar op den troon verheven, niet dan een afgod was, en heeft toen de beeldstormerij ook toegepast op den kategorischen imperatief. De achttiende eeuw verklaarde staat en maatschappij uit den individu, een oorspron-

Sluiten