is toegevoegd aan je favorieten.

Hedendaagsche moraal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mensch tot het zedelijk leven gerekend wordt, van geweten, plichtsbesef, gevoel van verantwoordelijkheid, bewustzijn van vrijheid, toerekenbaarheid, hoop op loon, vrees voor straf enz. Immers kan de mensch nooit doen wat hij wil; de maatschappij toomt hem in op allerlei wijze. Zij hecht aan bepaalde handelingen ook bepaalde waardeeringen en beheerscht zijn handelen en straks ook zijn denken en begeeren door lof en blaam, door goed- en afkeuring, door loon en straf. Langzamerhand gewent de mensch zich daaraan, hij schikt er zich naar en legt er zich bij neer. Hij krijgt een besef, dat hij behoort te doen, wat de maatschappij van hem verlangt; door overerving wordt dat besef van geslacht tot geslacht versterkt; de sociale neigingen beginnen het allengs te winnen van de egoistische ; en het resultaat is de mensch als zedelijk wezen, die uit vrees voor straf, uit gewoonte of ook in de meening dat het zoo behoort, naar de regelen der maatschappij zijn leven inricht. In deze moraal is dus de maatschappij, de „Gesammtwille" de hoogste autoriteit op zedelijk gebied. Zij stelt de zedewet vast, waarnaar ieder zich gedragen moet. Maatstaf van het goede is hier niet, als bij Kant, de beweegreden der handeling, n.1. de achting voor den plicht, maar het gevolg der handeling, de vracht, die zij afwerpt voor de maatschappij. Goed is datgene, wat bevorderlijk is aan het nut van het algemeen, aan de welvaart der maatschappij, aan het welzijn der menschheid, aan „the greatest happiness of the greatest number".

Alhoewel nu deze evolutionistische moraal tegenwoordig den boventoon voert en door vele mannen van naam wordt voorgestaan en verdedigd, is ze toch om verschillende redenen onhoudbaar. Immers is heel de poging, om den mensch en al het redelijke en zedelijke in hem, zooals taal, godsdienst, geweten enz., in den weg der evolutie te verklaren, na enkele jaren reeds