is toegevoegd aan uw favorieten.

Hedendaagsche moraal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarom valt het in den Duitschen wijsgeer Kant te prijzen, dat hij tegenover de sentimenteele en loszinnige meeningen van zijn tijd, wederom op de gestrenge majesteit der zedewet de aandacht heeft gevestigd en zelf, gelijk voor den sterrenhemel boven zich, zoo van bewondering en eerbied is vervuld geweest voor de stem van het: gij zult, die hij in eigen binnenste vernam. Want wat men ook doe, om deze stem tot zwijgen te brengen, zij verheft zich telkens weer; als zij gansch onderdrukt scheen, verhief zij zich soms plotseling weer in haar volle kracht. liet schuldgevoel, het berouw, de vertwijfeling, de wanhoop, de vreeze voor dood en gericht, die in het leven des menschen zoo breede plaats innemen, leggen van de majesteit der zedewet een onwraakbaar getuigenis af. Deze verschijnselen bewijzen, dat er ook hier verzet en overtreding mogelij k is. Maar evenals bij de schending der wetten in natuur en denkwereld, in staat en maatschappij, zal men ook hier van zijne overtreding de gevolgen dragen. En deze gevolgen zijn op dit terrein ernstiger dan ergens elders. Wie de denkwetten overtreedt, geeft aan vergissing, dwaling en leugen zich over. Wie de natuurwet veracht, veroorzaakt zich pijn en boet er misschien het leven bij in. Wie aan de wetten van den staat zich niet stoort, komt in het tuchthuis terecht. Maar wie aan de zedewet zich vergrijpt, verwoest in zichzelf het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd. Ten dage als de mensch de hand uitsteekt naar deze verbodene vrucht, sterft hij den zedelijken, den geestelijken dood.

Toch is het onjuist en ook onwetenschappelijk, om niet Kant bij deze zedewet te blijven staan en niet hooger op te klimmen. Het is immers onwaar, dat de mensch zelf deze wetten des zedelijken levens zich geeft. Hoe gaarne zou hij zich menigmaal van al die wetten ontslaan! Maar hij kan het niet. Hij mag pruilen