Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoorzaamheid, als de zedewet haar oorsprong heeft in God, den eenigen wetgever, die behouden kan en verderven. Alle macht, die er is, alle gezag, dat onder menschen gevonden wordt, alle wetten van denken en kennen, van recht en zede, van gezin en staat wortelen ten slotte in God Almachtig, of anders hebben ze geen recht van bestaan en geen verbintenis tot gehoorzaamheid. Er is blijkbaar niet alleen onnadenkendheid, maar ook antipathie des harten bij in het spel, als men wel de wetten erkent, maar van den wetgever niet weten wil; als men een imperatief aanneemt zonder een iniperans ; als men van een gebod spreekt zonder tot den gebieder op te klimmen. Want immers, wie toet zegt, die zegt: wil. De wet is altijd uitdrukking van een gebiedenden wil. Dat geldt van de wetten in de natuur, in het gezin, in den staat; het geldt ook, en in nog sterker mate, van de wetten des zedelijken levens. De wil, die in die zedelijke wetten zich aan mij kennen doet, kan' niet, gelijk Kant meende, mijn eigen wil zijn. Want daarbij blijft de vraag geheel onbeantwoord, hoe mijn wil er toe komt en komen kan, 0111 aan zichzelt wetten te geven, die hem zedelijk binden. Kant erkent dan ook zelf, dat dit totaal onbegrijpelijk is en door geen menschelijk verstand kan ingezien worden. Evenmin kunnen andere menschelijke willen die wetten ons geven. Want al hebben deze nog zoo vele malen de macht en de meerderheid, daarmede is toch in het minst hun recht niet bewezen, 0111 met zedelijke autoriteit tegenover mij op te treden. Sowenig, zegt Pfleiderer terecht, aus blossen Nullen jeinals eine Grosse wird, so wenig kann aus der blossen Summirung von egoistischen Einzelwillen jeinals ein sittlich höherer \V ille entstehen, der nicht bloss die Macht, sondern auch das Recht hatte, sich als Autoritat fur Alle geltend zu machen.

Het komt toch bij de zedewet juist niet op de macht

Sluiten