is toegevoegd aan uw favorieten.

Het doctorenambt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe langer hoe meer beperkt; om werkelijk aan een universiteit te doceeren, moest men niet alleen de licentia docendi verkregen hebben, maar langzamerhand ook door de overheid eener universiteit bepaald benoemd en aangesteld zijn. Het professoraat werd van het doctoraat onderscheiden ; het hield op eene vrije, tijdelijke werkzaamheid te zijn en werd eene vaste bezoldigde betrekking voor het leven; en het aantal van hen, die wel de licentia docendi verwierven en in het corps van leeraren waren opgenomen maar nooit doceerden, nam gaandeweg toe. Zoo werd het doctoraat niets dan een titel, een wetenschappelijke graad, een bewijs van bekwaamheid, gezocht en begeerd door zulken, die op de eer gesteld waren maar hoegenaamd er niet aan dachten, om ooit door woord of geschrift als leeraar op te treden. Doctor a non docendo!

Deze afwijking van de oorspronkelijke beteekenis werkte allerlei misbruiken bij verwerving en verleening van den doctoralen graad in de hand. Gemakkelijk te bekomen was hij niet. Om bijv. in de theologie te promoveeren was noodig, dat iemand eerst eenige jaren in de vrije kunsten had gestudeerd en liefst daarin den magistergraad had behaald, hetgeen ongeveer op 21 jarigen leeftijd geschieden kon; dat hij daarna ongeveer 5 a 6 jaar studeerde, om den graad van baccalarius te behalen en alzoo recht te hebben tot het geven van onderwijs; dat hij vervolgens de colleges bezocht en tevens onder den naam van cursor of biblicus, gedurende twee jaren een bepaald aantal voorlezingen hield over capita der H. Schrift; dat hij dan, na één jaar a oorbereiding, wederom twee jaren lang voorlezingen hield over de sententiae van Lombardus, en eindelijk, na wederom twee jaren colleges en disputaties bijgewoond en allerlei theol. werken bestudeerd te hebben, op getuigenis van of