Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werking op een van deze terreinen als eerste regel worden vastgesteld, dat onze beginselen er geen schade bij lijden. De belijdenis van de waarheid, die naar de godzaligheid is, is ten slotte het kostelijkste goed, dat wij bezitten. Geen geld of goed, geen macht of eer of aanzien is met haar te vergelijken. Uit genade werd zij door God ons geschonken, door onze vaderen werd ze met hun bloed bezegeld, als een kostelijk pand werd zij ons in deze tijden toebetrouwd ; en zoo hebben wij ze, indien mogelijk nog gezuiverd en verrijkt, over te leveren aan het navolgend geslacht en te bewaren tot de toekomst van onzen Iieere Jezus Christus. Alle samenwerking, die ons belemmert in de vrijheid van ons getuigen en belijden, die ons rechtstreeks of zijdelings dwingt, om van de Gereformeerde tot de Protestantsche, en van deze tot de algemeen-Christelijke beginselen, tot een Christendom boven geloofsverdeeldheid, terug te gaan, is daarmede geoordeeld. Ëeter is weinig met de vreeze des Heeren, dan een groote schat en onrust daarbij.

Geleidelijk sluit zich daarbij dan de tweede regel voor samenwerking aan, dat geen kansberekening of winstbejag den doorslag geve. Zeker behoeven we voor de vrucht van onzen arbeid niet volkomen onverschillig te zijn. God heeft tusschen deugd en geluk, tusschen geloof en leven, tusschen vlijt en zegen een verband gelegd, dat wij niet in overgeestelijk idealisme hebben te verbreken. Te overwegen, in welken weg de geestelijke belangen, die wij voorstaan, het best behartigd en het meest bevorderd kunnen worden, is roeping en eisch. Doch ook daarbij is de eerste vraag niet: wat is nuttig en voordeelig ? maar: wat is onze plicht ? wat is eisch van 's Heeren Woord? welke gedragslijn hebben wij in overeenstemming met onze beginselen te volgen? En dan kan, dan zal het zelfs menigmaal gebeuren, dat wij een bondgenootschap verwerpen, ofschoon het voordeel oplevert, omdat het de eere onzer beginselen te 11a komt; dat wij samenwerking, ondanks hare nuttigheid, afslaan, wijl ze onze geestelijke kracht ondermijnt; dat wij persoonlijk en ook als vereeniging, als partij of als kerk alleen blijven staan en onszelven verloochenen, omdat de navolging van Christus dat eischt. Maar zijn wij daartoe als Christenen niet bij den voortduur geroepen ? En heeft de Heere juist niet in

Sluiten