Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit zelfde hoofdstuk openen zij te huis de zakken en vinden dan eerst het geld.»

U spreekt in Uw naschrift, (pag. 52) dat men hiertegen heeft opgemerkt, dat er in Gen. XL11:27 en 28 niet gezegd wordt, dat alle broeders den zak openden, maar dat slechts één dit deed, dat er dus van geen strijd met Vers 35 sprake is. En dan zegt U een weinigverder iets van «oppervlakkig oordeelende». Maar de (U) gemaakte opmerking is toch volkomen ad rem, want in Vs. 27 staat uitdrukkelijk, ook in den grondtekst, dat één der broeders zijn zak opendoet, en ik meen, dat de door U gewraakte opmerking, minder te wijten is aan het oppervlakkig oordeelen van den opmerker, die blijkt te weten of althans gecontroleerd heeft, wat er staat, dan wel aan de minder juiste wijze van citeering van Vers 27 Uwerzijds. Of het nu «zeer onwaarschijnlijk» is, dat slechts één broeder in de herberg zijn zak zou hebben opengedaan, om zijn ezel voeder te geven, en de anderen niet, dat hebben wij niet uit te maken. Ik voor mij acht het alleszins waarschijnlijk. In elk geval het staat er met grooten nadruk, en dan zullen wij het laten staan, en als dan Gen. XLIII:21 daarmede in strijd is, dan wil ik dat zielkundig verklaren (zie Gen. XLIII:18, 19). Immers zoo vaak is groote vrees oorzaak, dat verschillende feiten, vooral na verloop van tijd, in anderen vorm medegedeeld worden, dan waarin ze geschied zijn, zonder dat nog de getuigen direct een valsche getuigenis afleggen. Uit de rechterlijke practijk zou dit met tallooze voorbeelden gestaafd kunnen worden.

«Ex. VII: 17 moet Mozes naar Pbarao gaan met zijn staf en het water in de rivier in bloed veranderen. Vers 19 moet Mozes tot Aaron zeggen, (in het Hollandsch

Sluiten