is toegevoegd aan uw favorieten.

"Onvereffenbare verschilpunten", wederlegd en vereffend

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik geloof niet, dat U uit het feit, dat in de patriarchen-geschiedenis, ja, eigentlijk reeds van Gen. II: 4 af, geregeld de naam «Heere» (Jehova) gebruikt wordt, moogt afleiden, dat Abraham, Izak en Jacob God wel bij dien naam gekend hebben. Dit is een letterlijke ontkenning van Gods eigen woord, en me dunkt al een schrede te ver van de «schriftcritiek», en, zonder dat U het zelf wel wilt, een klein bewijs, waarheen zij voeren moet. Als U toch dit vasthoudt: Gods woord ligt in den Bijbel, dan moet toch voor U vaststaan, wat zich in den Bijbel als een direct Godswoord aanbiedt.

Maar dat van te voren aan de patriarchen God niet als «Jehova» is bekend geweest, bewijst m.i. de vraag van Mozes in Ex. III: 13, en Gods antwoord daarop in Ys. 14, terwijl dan in de Vss. 15 en 16 blijkt, dat de Heere (Jehova) dezelfde is als de God der vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, de God van Jacob. De kinderen Israëls (het dient tot hun schande gezegd) kenden den God hunner vaderen niet meer; moesten weten, dat de tijding van aanstaande verlossing, waarmede Mozes tot hen zou komen, geen ijdel geklank was, geen looze belofte, welnu, daarom openbaart God zich aan Mozes met den naam «Ik zal zijn, die ik zijn zal» en moet hij tot de kinderen Israëls zeggen: alk zal zijn heeft mij tot U 1. gezonden, opdat Israël niet twijfele, ot God zal zijn belofte vervullen en hen verlossen; en als het schijnt, dat die Gods belofte vertraagt, dan herinnert God er aan in Ex. VI: 1 vlgg. zich weder noemende met den naam, die uitdrukking is van zijn getrouwheid en onveranderlijkheid.

En wat nu het feit aangaat, dat de naam Jehova in Genesis aanhoudend voorkomt, dit bewijst niets, tenzij U kunt aantoonen, dat Mozes zijn eerste boek geschre-