Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

Nieuwelingen.

Nieuwelingen, Mispriesters, Monniken, en die anderszins eenige sekte verlaten, zullen niet toegelaten worden tot den Kerkedienst, dan met groote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij ook eenen zekeren tijd eerst wel beproefd zijn.

X. *

Toelating des dienstes.

Een Dienaar eens wettelijk beroepen zijnde, mag de Gemeente, waar hij zonder conditie aangenomen is, niet verlaten, om elders eene beroeping aan te nemen, zonder bewilliging des Kerkeraads met de Diakenen, en diegenen die te voren in dienst van Ouderlingschap en Diakenschap geweest zijn, [mitsgaders die van den Magistraat,] en met voorweten van de Classe gelijk ook geene andere Kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijke getuigenis zijns afscheids van de Kerk en Classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

XI.

Onderhoud der Diensten.

Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de Gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en zonder kennis en oordeel der Classe niet te verlaten; dewelke ook bij gebrek van onderhoud, zal oordeelen of de voorschreven Dienaars te verzetten zijn of niet.

XII.

Bij tle gemeente blijven.

Dewijl een Dienaar des Woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn leven aan den Kerkedienst verbonden is, zoo zal hem niet geoorloofd zijn, zich tot eenen anderen staat des levens te begeven: tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de Classe kennis nemen en oordeelen zal.

Sluiten