Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. bij art. 60 betreffende de II. Doop werd besloten in Zitting 162:

„Men zal de doop der Papen, die in deze landen omzwerven en der Mennisten, niet zonder merkelijke reden herhalen, maar naarstiglijk onderstaan of de vorm en de substantieele dingen des Doops onderhouden zijn, hetwelk bevonden zijnde, zoo zal men den Doop geenszins herhalen. Zal ook hetzelve gehouden worden van den Doop die van een geëxcommuniceerd Predikant bediend wordt, zoo hij eene ordinaire beroeping van eenige Vergadering heeft. Op al hetwelk de kerken naarstiglijk zullen onderzoeken en acht geven.

En in Zitting 163:

Men zal den Doop aan kranke kinderen of zieken buiten de vergadering der kerken niet bedienen, dan in zeer grooten nood, en dat met voorweten en in 't bijwonen des kerkeraads; ook niet aan verwezene misdadigers, dan met advies der gegeputeerden der classis.

c. betreffende den Zondag werd in de 164e Zitting bepaald:

I. In het vierde Gebod der Goddelijke Wet is iets Ceremonieels en iets Moreels.

II. Ceremonieel is geweest de ruste van den zevenden dag na de schepping en de strenge onderhouding van denzelven dag, het Joodsche Volk bijzonder opgelegd.

III. Moreel, dat een zekere en gezette dag den godsdienst zij toegeëigend, en daartoe zooveel ruste als tot den godsdienst en heilige overdenking deszelfs van nooden is.

IV. Deze dag moet alzoo den godsdienst toegeëigend worden, dat men op denzelven ruste van alle slaafachtige werken, uitgenomen die de liefde en tegenwoordige noodzakelijkheid vereischen, mitsgaders van alle zoodanige recreatiën die den godsdienst verhinderen,

Sluiten